Sr AE SHERI
na
nur)
EN LR i ee BANN
un) hr RATE
, A à k
REA! | 17 i AL à
an
À fer mi mn JEUNES
N
Av PI n, Peel! de
TEE a di
VAN vl, Seen
Ma rt
se RL I i” b 4 4
im
TIJDSCHRIET VOOR ENTOMOLOGIE,
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Mr. W. ALBARDA Mr. 8. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN EN
F. M. VAN DER WULP
ACHTTIENDE DEEL
JAARGANG 1874—75
'SGRAVEN HAGE MARTINUS NIJHOFF 1875
EN. OU: D
VAN HET
ACHTTIENDE DEEL.
Verslag van de 29“ Zomervergadering . da
C. Rırsema Cz., Naamlijst der tot heden in Nederland waargenomen Bastaard-schorpioenen (Chernetiden) . at
Lijst der Leden van de Neder! Entomologische Vereeniging . 5 >
Lijst der bijgekomen beden a rar D È
Entomologische inhoud van ontvangen na
Verslag van de 8% Wintervergadering .
R. Mac-LACHLAN, Descriptions de plusieurs Nevro- ptères-Planipennes et Trichoptères nouveaux de Vile de Célébes et de quelques espèces nouvelles de Dipseudopsis avec considérations sur ce genre.
R. MAc-LACHLAN, Notes sur une collection de types des Phryganides, décrites par feu M. F.J. PICTET, existant dans le Musée Roval d’Histoire Naturelle 1 I ee NRR
S. C. SNELLEN VAN a De inlandsche Bladwespen in hare gedaantewisseling en levens- wijze beschreven. 18" stuk . :
Bladz.
XXXIII
Systematische lijst der in dit Tijdschrift beschreven gedaantewisselingen van Bladwespen.
A. FAUVEL, Synopsis des Creophilus. sal
P. C. T. SNELLEN, Vier nieuwe soorten van het ge- nus.+Vola Geachte eee NE ee
P. C. T. SNELLEN, Drie nieuwe Choreutinen :
F. J. M. HEYLAERTS fils, Les Macrolépidoptéres de Bréda et de ses environs. Liste supplémentaire n°. 4 (Captures de 1874)
T. THorELL, Diagnoses Aranearum europaearum aliquot novarum :
H. W. DE GRAAF en P. C. T. a Mi nieuw voor de Fauna van Nederland
P. C. T. SNELLEN, Nepticula Zelleriella nov. sp.
C. J. GRUBE, Bijdrage tot de kennis van Calamia lutosa Hübn . ;
GC. RITSEMA Cz., Aanteekeningen over en beschrij- vingen van eenige Coleoptera van Neder-Guinea (Zuidwesikust*van Afrika) cc. cc er 22% ai . C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, De inlandsche Hemipteren beschreven en meerendeels ook afge- peels Stu: ame ET eh ee
P. C. T. SNELLEN, Opgave der Geometrina en Pyra- lidina, in Nieuw-Granada en op St. Thomas en Jamaica verzameld door W. Baron von NOLCKEN, met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten. Tweede afdeeling: Pyralidina. "kam.
G. M. DE GRAAF, Vier Atsjinesche Damien ie rte
Bladz.
90 53 61 70
79
121
150
187 265
VERSLAG
NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGINCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE ARNHEM
den 29 Augustus 1874.
Tegenwoordig zijn de heeren Mr. W. Albarda, President, J. Backer, Mr. A. Brants, D. Burger, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, DATE Jordenssal. Kanker: Me. Ar FA. Leesberg I,W. Lodeesen, Dr. J. G. de Man, C. Ritsema Cz., A. B. van Medenbach de Rooy, P. C. F. Snellen, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven en F. M. van der Wulp.
De heeren Mr. J. Herman Albarda, N. H. de Graaf, Mr. H. W. de Graaf, Dr. A. W. M. van Hasselt, F. J. M. Heylaerts, J. van Leeuwen Jr., H. Baron Lewe van Middelstum, Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Dr. A. J. van Rossum en Dr. M. C. Ver Loren van Themaat hebben kennis gegeven, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
De Voorzitter Mr. W. Albarda merkt op, dat, zeker tot aller leedwezen, onder hen, die beletselen hebben om hier tegenwoordig te zijn, zich ook bevindt Dr. M. C. Ver Loren, wien de vereerende taak was opgedragen om deze bijeen- komst te leiden. De brief, waarin de redenen van zijne afwezigheid worden medegedeeld, wordt door den Secretaris voorgelezen. De Voorzitter meent, dat hij nu genoodzaakt zal zijn, als President van het Bestuur, de taak van den
1
li VERSLAG.
heer Ver Loren op zich te nemen, en opent de Vergadering met eene korte toespraak, waarin hij onder anderen den heer A. B. van Medenbach de Rooy, die als nieuw lid voor het eerst tegenwoordig is, welkom heet.
Op de vraag van den Voorzitter, of een der aanwezigen ook aanmerkingen heeft op de notulen der vorige zomer- vergadering en der jongste wintervergadering, z00 als die in de gedrukte verslagen zijn opgenomen en rondgezonden , verlangt niemand het woord, zoodat die notulen zijn goed- gekeurd.
De Voorzitter brengt daarop het volgende jaarverslag uit:
«Mijne heeren, leden der Nederlundsche Entomologische Vereeniging ! »
«Het is mijn pligt, als Voorzitter der Vereeniging, in deze bijeenkomst U door eene korte schets voor den geest te roepen wat er gedurende het afgeloopen maatschappelijk jaar in en door onze Vereeniging is geschied. Wel is waar levert dat verslag voor velen niets nieuws, maar er zijn onder de oudere leden sommigen, die zelden onze verga- deringen bijwonen en nu uit het verslag den gang onzer “werkzaamheid leeren kennen; en aan den anderen kant is het voor de nieuwe leden, die wij het genoegen hebben in deze vergadering te begroeten, eene kleine handleiding over de wijze waarop onze Vereeniging in den laatsten tijd heeft gewerkt : het is de laatste bladzijde van hare geschiedenis, waarmede zij bekend worden gemaakt.
«Ieder jaarlijksch verslag vangt gewoonlijk aan met eenige treurige tijdingen, het verlies van leden ons door den dood ontrukt. Thans hebben wij weder van twee onzer medeleden zoodanige mededeeling te doen.
«De heer J.J. M. Gordon te Amersfoort ontviel ons dezen winter na eene korte ongesteldheid. Hij was eerst sedert 1868 lid onzer Vereeniging, en zonder zelf entomoloog te
zijn, was hij een warme voorstander van onze lievelings-
VERSLAG. III
studie, een aangename gast aan onze gemeenschappelijke maaltijden en een trouw bezoeker van onze vergaderingen en excursién. Velen onzer zullen nog lang de gedachtenis aan hem bewaren.
«In het jongste voorjaar verloren wij andermaal door den dood een onzer medeleden, den heer Th. J. van Campen te Amsterdam. Hij behoorde tot de oprigters van ons ge- nootschap en vervulde in de eerste jaren een tijd lang de betrekking van Secretaris. Ofschoon hij slechts weinig aan entomologische studién deed en in den laatsten tijd zijn ziekelijke toestand — hij leed aan gedeeltelijke paralysis — hem belette op onze bijeenkomsten tegenwoordig te zijn, bewees zijn voortdurend lidmaatschap dat hij altijd met onze Vereeniging ingenomen bleef.
«Behalve door den dood, verloren wij de heeren W. J. Boogaardt te Haarlem, C. J. M. Jongkindt Coninck te Fre- deriksoord, A. Schmier de Poorter te Leiden, en M. L. Ritsema, Officier van gezondheid bij het Indische leger, thans in Atchin, die allen in den loop van het jaar voor hun lidmaatschap bedankten.
«Professor E. Selenka heeft ons land verlaten zonder omtrent onze Vereeniging zelfs den vorm in acht te nemen. Wij zijn nu verpligt hem van de lijst der leden te schrappen, dewijl hij het radicaal, bij art. 4 van ons reglement voor- geschreven, niet meer bezit.
«Wij verloren dus zeven leden. De daardoor ontstane gapingen zijn, althans ten deele, weder aangevuld door het toetreden als lid van de heeren H. P. Snelleman, Phil. nat. Stud. te Leiden, A. B. van Medenbach de Rooy te Arnhem, J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand. te Amster- dam, J. CG. Stern te Sluis in Zeeuwsch Vlaanderen, en Mr. M.’s Gravesande Guicherit te Delft. Hetgeen wij van hunnen ijver en werkkrachten weten is ons een waarborg dat zij voor de Vereeniging eene aanwinst mogen worden genoemd.
«Dr. C. A. Dohrn, Voorzitter der Stettiner Entomologische Vereeniging, ten vorigen jare door U tot Eerelid van onze
IV VERSLAG.
Vereeniging benoemd, heeft dit huldebewijs in zeer vleijende bewoordingen aangenomen.
« Uitvoering gevende aan het besluit, door U in de vorige zomervergadering genomen, hebben wij bronzen exemplaren van den gedenkpenning, ter eere van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven geslagen, doen toekomen aan: 1°. het Konink- lijk Penningkabinet te ’s Gravenhage; 2°. de Société Ento- mologique de France; 3°. de Société Entomologique; de la Belgique; 4°. de Société Entomologique de Russie; 95°. de Società Entomologica Italiana; 6°. de London Entomological Society; 7°. de Entomological Society of Philadelphia; 8°. het Berliner Entomologische Verein; 9°. het Stettiner Ento- mologische Verein; 10°. de Zoologisch-botanische Gesell- schaft in Wien; en 11°. de Schweizer Entomologische Gesell- schaft. Van bijna al deze inrigtingen zijn brieven van dank- betuiging ontvangen.
«Ook aan het in de vorige zomervergadering genomen besluit omtrent den heer G. Ritter von Frauenfeld te Weenen hebben wi gevolg gegeven, en wel zoo tijdig, dat ons schrijven nog voor zijnen dood, die kort daarop plaats vond, in zijne handen is gekomen.
«Met de buitenlandsche Entomologische en andere weten- schappelijke genootschappen staan wij op den besten voet, niet alleen dat wij ons steeds beijveren onze relatién uit te breiden, maar ook van de zijde van het buitenland worden ons, tegen ruil van ons Tijdschrift, van alle kanten belang- rijke werken aangeboden. Het getal exemplaren van het Tijdschrift, welke op die wijze in ruil worden gegeven, is dan ook in dit jaar met tien vermeerderd en bedraagt thans vijf en veertig. De verzending, die door bemiddeling van Professor von Baumhauer te Haarlem geschiedt, gaat echter niet zoo spoedig en geregeld als wenschelijk is, en wijl ook door den Bibliothecaris wordt geklaagd over ver- traging in de ontvangst van sommige buitenlandsche tijd- schriften, is het Bestuur er op bedacht om een anderen weg voor die verzendingen te beproeven.
VERSLAG. Vv
«In onze vorige bijeenkomst was er ten gevolge van de luide klagten, door den Conservator en den Bibliothecaris aangeheven, ernstig sprake, om in de plaatsing onzer ver- zameling van insecten en boekerijen verbetering aan te brengen. Het Bestuur werd toen door U gemagtigd om naar bevind van zaken te handelen en de noodige onkosten op de uitgaven te brengen. Het is ons tot dusver niet mogen gelukken binnen Leiden een huis te bekomen, geschikt om al onze eigendommen te zamen te bevatten en te bewaren, en wij zijn dus te rade geworden om voorloopige maatregelen tot het behoud van insectenverzameling en bibliotheken te nemen.
«De insectenverzameling is, op onze aanvrage waarop zeer beleefd goedgunstig is beschikt, thans zooveel beter geplaatst, dat zij voor ondergang bewaard is. Volgens de mededeelingen van den Conservator heeft dus de uitkomst bewezen, dat wij ons in de verwachting, welke wij van eene betere plaatsing koesterden, niet hebben bedrogen : de vochtigheid en hare gevolgen, de schimmel zijn geheel verdwenen. Ook in andere opzigten is de verzameling dit jaar veel verbeterd. De orde der Hemiptera is in meer laden uiteengezet dan vroeger en wat de determinatie be- treft door den Conservator herzien. Met het herzien der Coleoptera is een begin gemaakt door den heer Dr. Ed. Everts, wiens tijdelijk verblijf te Göttingen echter dit werk heeft doen staken. De Neuroptera zijn wat hunne determinatie aangaat herzien door Mr. J. Herman Albarda, en hoewel dit reeds vroeger is geschied, is het hier de plaats daarvan melding te maken en hem daarvoor dank te betuigen. Eene herziening der Diptera ligt aan de beurt, en de heer van der Wulp heeft den Conservator daartoe welwillend zijne medewerking toegezegd. De rangschikking der Macrolepi- doptera is geheel voltooid; met die der Microlepidoptera wordt gewacht op de uitgave van het tweede deel der «Vlinders van Nederland » van ons geacht medelid P. C. T. Snellen, en wij vertrouwen in het volgende verslag U te
VI VERSLAG.
zullen kunnen berigten dat ook de Microlepidoptera behoorlijk naar dat werk zijn gerangschikt.
« Vijf en negentig laden, staande in tien loketten, bevatten onze insectenverzameling. Er is last gegeven om nog vijf laden in gereedheid te brengen, zoodat dan het getal tot honderd zal zijn gestegen. Mogt te eeniger tijd de Vereeniging in het zoo wenschelijke bezit geraken van een eigen lokaal tot berging van verzameling en boekerij, dan stelt de Conservator zieh voor, om in plaats van die verschillende loketten, vijf eiken- of notenhouten kasten te doen ver- vaardigen, elk voor twintig laden.
«De collectie is in den loop van het jaar vermeerderd door bijdragen van de heeren A. B. van Medenbach de Rooy, G. A. Six, Ivangh Schepman, Mr. A. F. A. Leesberg, C. Ritsema Cz., Dr. Ed. Everts en den Conservator, wien allen hier warme dank wordt toegebragt. Het komt mij voor, dat het hier de plaats is, om de opmerkzaamheid der leden te vestigen op de punten, die in onze verzameling het meest aanvulling behoeven. Het zijn: 1° de kleinere Sta- phyliniden; 2° Microlepidoptera; 3° Pteromalina; 4° Procto- trupidae; 5° kleine Hemiptera homoptera; en 6° Orthoptera. De Conservator hoopt in den loop van dit jaar de lijsten van de aan onze verzameling ontbrekende inlandsche species gereed te hebben, met opgave, voor zoover zulks mogelijk is, van de plaatsen in ons land, waar deze desiderata waar- schijnlijk kunnen gevonden worden. Wij vertrouwen dat de ijver, waarmede de Conservator de belangen onzer verzameling behartigt, bij U allen een wedstrijd zal openen, om hem zijne taak ligt te maken door eene ruime toezen- ding van de verlangde species.
«Ten opzigte van de boekerij onzer Vereeniging en de boekerij Hartogh Heys van de Lier heeft het Bestuur almede maatregelen tot bewaring moeten nemen. Gij hebt het zoo even gehoord, het is ons nog niet gelukt een geschikt ver- blijf voor onze bezittingen te vinden, en wij hebben daarom
getracht in het bestaande gebrek van het lokaal, waarin
VERSLAG. VII
onze boeken thans geborgen zijn, onmiddellijk te voorzien. Met toestemming van den eigenaar is daar eene stookplaats aangebragt, en gedurende den afgeloopen winter en zoo dikwijls het overigens noodig was, is door behoorlijke stooking eene voldoende droogte verkregen, zoodat onze boeken tegen beschimmeling zijn gevrijwaard. Doch, Mijne heeren, onze boekenschat vermeerdert steeds en de ruimte, waarover wij te beschikken hebben wordt dus steeds kleiner. In overleg met onzen Bibliothecaris is het aan het Bestuur gelukt een lokaal te vinden, waarheen de bibliotheek der Vereeniging binnen kort zal verhuizen, terwijl daardoor in het tegenwoordige lokaal ruimte zal ontstaan, om de bibli- otheek Hartogh Heys van de Lier behoorlijk te plaatsen, ook dan nog wanneer deze, zoo als in den aard der zaak ligt, meer uitbreiding krijgt. Met eene bereidwilligheid, die wij op hoogen prijs stellen, is ons voor onze oorspronkelijke bibliotheek kosteloos een geschikt lokaal aangeboden , waar zij onder behoorlijk opzigt van den Bibliothecaris zal verblijven. Onze Vereeniging zal zich alleen de kosten hebben te ge- troosten van het-maken van geschikte kasten en die van het verhuizen.
«Intusschen zullen wij ons plan, om de bibliotheken en de insectenverzameling te vereenigen , niet opgeven. Ik wilde U thans evenwel den uitslag onzer bemoeijingen voorloopig mededeelen, om U de overtuiging te geven, dat het Bestuur het zijne heeft gedaan tot bescherming van de aan zijne zorg toevertrouwde eigendommen der Vereeniging.
«De bibliotheken zijn ook dit jaar merkelijk in omvang toegenomen, vooreerst door de in ruil tegen ons Tijdschrift ontvangen tijdschriften en werken, in de tweede plaats door aankoop van belangrijke werken, eindelijk door ge- schenken. Door ruiling werd onze boekerij verrijkt met the Canadian Entomologist en met de Annali del Museo di Storia naturale di Genova; door geschenken met de werken van de Geological Survey of the United States, en door de heeren A. Preudhomme de Borre, L. Cabot, H. Jekel, R. Mac Lachlan,
VIII VERSLAG,
M. Lessona, A. Müller, V. Signoret, H. T. Stainton, C. Stal, G. Ulivi, F. Walker, H. D. J. Wallengren, H. Weyenbergh en anderen. Eene opgave dezer geschenken, alsmede van de werken door aankoop verkregen, zal achter dit Verslag worden gevoegd en ook de inhoud van de bijgekomen tijd- schriften.
«Voor het binden der boeken wordt almede door onzen ijverigen Bibliothecaris behoorlijk zorg gedragen.
«Met onze geldmiddelen, Mijne heeren, is het gunstig sesteld. Wij hebben, zoo als de rekening en verantwoording van den Penningmeester U zal doen zien, dit jaar aanzien- lijke uitgaven te bestrijden gehad, en toch sluit onze alge- meene kas, met inbegrip der daarin aanwezige waarden, met een batig saldo van f.558.223.
«Het ondersteuningsfonds voor de onbekrompen uitgave van het Tijdschrift bestaat in twee pandbrieven groot / 300 ten laste der Nationale Hypotheekbank , rentende 5 percent, doch heeft daarentegen een klein te kort van f10.713.
«Het fonds tot instandhouding der bibliotheek Hartogh Heys van de Lier, hetwelk door onze geachte Donatrice steeds met de meeste stiptheid wordt gevoed, wijst een batig slot aan van f 24213.
Wij mogen onzen Penningmeester allen lof geven voor zijn uitmuntend beheer.
« Gelooft echter niet dat wij geen behoefte aan meerdere geldmiddelen hebben. In onze laatste wintervergadering , — Gij hebt, voor zoover wij daar Uwe tegenwoordigheid moesten missen, het uit het rondgezonden verslag kunnen zien, — hebben wij een beroep gedaan op Uwe beurzen tot dekking der kosten, verbonden aan eene betere plaatsing van collectie en boekerij, en op eene daartoe ter tafel gebragte lijst is daarmede een begin gemaakt. Diegenen Uwer, die, zeker om gewigtige redenen, de wintervergadering niet hebben kunnen bijwonen, zullen thans in de gelegenheid worden gesteld om de bedoelde lijst met hunne handteekening te versieren en hun penningsken daarvoor af te zonderen,
VERSLAG. . Ie
«Ik heb opzettelijk de gewone orde in dit verslag niet gevolgd, omdat ik vooral ten opzigte van ons Tijdschrift en de daarop vallende kosten, het beter oordeelde, dit bij en na onze geldmiddelen te behandelen. Het is U bekend, dat behalve het ondersteuningsfonds bovengenoemd, de kos- ten der uitgave van het Tijdschrift worden bestreden uit de algemeene kas en uit een subsidie groot f 200 ’s jaars, ons door Tevler's stichting toegestaan. ledere vijf jaren wordt door het Bestuur die subsidie op nieuw aangevraagd. Dat moest ook nu geschieden. Onze behoeften werden grooter; klagten over te langzame plaatsing van stukken ontbraken niet; en er zijn zelfs leden geweest, die in buitenlandsche tijdschriften hunne mededeelingen hebben doen opnemen, omdat zij bij ons miet spoedig genoeg konden geholpen worden. Eene zustervereeniging was door Teyler’s genoot- schap ruimschoots ondersteund voor een door haar uit te geven tijdschrift. Wij vonden het om al deze redenen ge- raden, om bij de aanvrage tot hernieuwing der subsidie, beleefdelijk bij Teyler’s stichting op verhooging van het cijfer aan te dringen; doch ontvingen in antwoord een kort berigt, dat ons weder voor vijf jaren de gewone jaarlijksche subsidie van f 200 was verleend. Behalve de boven aange- wezen middelen konden wij dus op geene ondersteuning rekenen, en was er geen verbetering, geen vooruitgang mogelijk. Wij hebben toen gemeend ons tot de Regering te mogen wenden, die wel door inteekening de uitgave van ons Tijdschrift ondersteunde, doch welke ondersteuning voor ons geen regtstreeksch voordeel afwierp. De Nederlandsche Regering heeft getoond, dat zij prijs stelt op onze onver- moeide pogingen, en dat zij, daar waar het noodig is, de ontwikkeling der wetenschap door materiële hulp wil steunen. Bij Koninklijk besluit van 25 Maart 1874 n° 18 werd aan onze Vereeniging, onder zekere voorwaarden , tot behoorlijke uitgave van het Tijdschrift eene jaarlijksche subsidie van f 500 uit ’s Rijks schatkist toegestaan, en zeer kort daarna ontving ik reeds een mandaat van betaling dier subsidie
X VERSLAG.
over het jaar 1874. Wij zijn daardoor in staat gesteld de grieven van velen Uwer weg te nemen en de ruimte van het Tijdschrift te vergrooten zonder den prijs er van te verhoogen.
«Het was echter niet alleen geldgebrek, dat het behoorlijk uitgeven van het Tijdschrift in den weg stond, maar wij waren niet geheel meester van die uitgave. Na rijp beraad heeft het Bestuur besloten, zich van de banden die het knelden los te maken, en heeft het te dien einde: 1° het contract, met den heer Nijhoff aangegaan wegens de uitgave, opgezegd met het einde van het thans loopende deel; en 2° het fonds van ons Tijdschrift, bestaande uit ongeveer 1800 deelen en een aantal losse afleveringen, aangekocht van den uitgever, wiens eigendom het was. De uitgave van het Tijdschrift zal nu voortaan voor eigen rekening geschieden.
O €
Ik ontveins mij geenszins, dat de Vereeniging zich daar- voor opofferingen zal hebben te getroosten, maar ik ben evenzeer overtuigd, dat de genomen maatregelen in het stellig belang der Vereeniging zijn, en dank zij de verleende Rijkssubsidie, zijn wij in staat deze geldelijke opofferingen te bestrijden, en zullen wij na een paar jaren reeds in onze kasrekening de voordeelen, aan deze handeling ver- bonden, in cijfers zien te voorschijn komen.
(Gij gevoelt, Mijne heeren, dat ik onmogelijk al de motieven, die het Bestuur tot deze handeling hebben ge- leid, in dit verslag kan blootleggen; maar ik ben verzekerd dat Gij de overtuiging met U draagt, dat wij ook hier in het waarachtig belang der Vereeniging hebben gehandeld. De Redactie van het Tijdschrift heeft reeds nieuwe contracten gesloten, waardoor in de uitgave geene vertraging zal ont- staan en de baten der uitgave in onze kas zullen vloeijen.
«De laatste aflevering van het zeventiende deel zal spoedig zijn afgewerkt en daarmede dat deel voltooid. Wanneer gij dat deel en de verslagen van onze Vergaderingen leest, dan zal het U blijken, dat onze Vereeniging gedurende het afgeloopen maatschappelijk jaar op wetenschappelijk gebied
VERSLAG. XI
niet heeft gerust. Het is echter te betreuren, dat onze vergaderingen, vooral die in den winter plaats hebben, z00 schaarsch worden bezocht. Laat ons hopen, dat het jeugdige bloed, hetwelk onze Vereeniging wederom dit jaar
ontving,
ook het oudere, tragere in beweging zal brengen, en dat allen mogen begrijpen, van hoe veelzijdig nut het bijwonen der vergaderingen voor ons is. Laat ons dan met nieuwen moed en vereende krachten werken ; onze leus zij
Ad altiora !»
Na de voorlezing van het bovenstaande verslag, voegt de Voorzitter, naar aanleiding van een paar gedane vragen, daarbij nog eenige opmerkingen omtrent de contracten met den heer Nijhoff gesloten. Het fonds namelijk van de reeds verschenen deelen van het Tijdschrift is door de Vereeni- ging aangekocht voor eene som van f 1000, te betalen in twee termijnen van f 500, waarvan de eerste dadelijk, de andere in 1875 verschijnt. Daarvoor is dus, wel is waar, gedurende de twee eerste jaren, het geheele bedrag der Rijkssubsidie noodig; maar de kas heeft daarentegen het voordeel, dat er geene meerdere exemplaren behoeven ge- kocht te worden tegen f6 per deel, een maatregel waartoe het Bestuur weldra zou moeten overgaan, omdat er be- hoefte bestaat aan meer exemplaren ter verzending naar het buitenland. Het bezwaar, dat door een der leden wordt geöpperd, alsof nu, voor de beide eerste jaren althans, het uitzigt op uitbreiding van het Tijdschrift en spoediger plaatsing van stukken zou zijn benomen, wordt door het Bestuur in zooverre wederlegd, dat ten gevolge van de ver- leende Rijkssubsidie het thans bestaande ondersteunings- fonds voor de uitgave van het Tijdschrift komt te vervallen, en er door de opneming van het saldo van dat fonds onder de inkomsten van het Tijdschrift reeds dadelijk gelegenheid bestaat, om zoo noodig ook aan de beide eerstvolgende jaargangen eenigen meerderen omvang te geven.
De Penningmeester brengt zijne rekening en verantwoor-
XII VERSLAG.
ding over het afgeloopen vereenigingsjaar 1873/74 ter tafel, en geeft daarbij eenige inlichtingen. De Voorzitter verzoekt de heeren Kinker en Brants, om de rekening na te zien. Deze houden zich dadelijk met dien arbeid bezig en zijn er weldra mede gereed. De uitslag van hun onderzoek is, dat zij de rekening en de daarbij overgelegde bescheiden in volkomen orde hebben bevonden. De Voorzitter brengt, namens de Vergadering, aan den Penningmeester den wel- verdienden lof voor zijn gehouden beheer.
Nog legt de Penningmeester, ingevolge art. 27 der wet, eene schets over van de begrooting der geldmiddelen over het volgende jaar, welke begrooting, in verband met de ingrijpende veranderingen in de uitgave van het Tijdschrift, aanleiding geeft tot enkele vragen en opmerkingen, die echter door de inlichtingen van het Bestuur spoedig wor- den opgelost, en de begrooting gearresteerd.
Aan de orde is het benoemen van twee Eereleden en twee Corresponderende leden. Overeenkomstig het voorstel van het Bestuur worden, met algemeene of bijna algemeene stemmen, tot Kereleden benoemd de heeren M. E. Baron de Selys Longehamps te Luik en Dr. Victor Signoret te Parijs; en tot Corresponderende leden de heeren A. Fauvel te Caen en J. Putzeys te Brussel. Den Secretaris wordt opgedragen aan deze heeren hunne benoeming mede te deelen.
Vervolgens wordt overgegaan tot de verkiezing van twee leden van het Bestuur, zijnde de heeren P. CG. T. Snellen en C. Ritsema Cz. dit jaar aan de beurt van aftreding. Beiden worden met bijna eenparige stemmen herkozen en verklaren de benoeming aan te nemen.
Daarop heeft de verkiezing plaats van twee leden, die met den President de Commissie van redactie van het Tijdschrift zullen uitmaken, waartoe door het Bestuur de beide volgende dubbeltallen worden voorgedragen:
Eerste dubbeltal, de heeren Mr.S. €. Snellen van Vollen- hoven en P. C. T. Snellen.
VERSLAG. XIII
Tweede dubbeltal, de heeren F. M. van der Wulp en Dr. E. Piaget.
Er worden daaruit bij meerderheid van stemmen verko- zen de heeren Snellen van Vollenhoven en van der Wulp, die beiden zich bereid verklaren om de hun op nieuw op- gedragen taak voort te zetten.
Als plaats voor de volgende zomervergadering wordt, met het oog op het alsdan dertigjarig bestaan der Veree- niging, op voorstel van den President, Amsterdam aange- wezen; terwijl het voorzitterschap van die bijeenkomst, bij meerderheid van stemmen, wordt opgedragen aan den heer P. C. T. Snellen, die zich die keuze laat welgevallen.
De Voorzitter doet mededeeling van een brief van den Minister van Binnenlandsche Zaken dd. 25 April 1874, n°. 184, 12de afd., houdende toezending van het programma eener in September 1874 te Parijs te openen tentoonstelling van nuttige en schadelijke insecten en hunne voortbrengselen, benevens van het gelijktijdig te houden insectkundig congres, een en ander uitgaande van de Société d’agriculture et d’insectologie générale te Parijs.
Nog vermeldt de Voorzitter hier, — olschoon dit eeniger- mate meer behoort tot de straks te behandelen wetenschap- pelijke zaken, dat hij in de maand December des vorigen jaars, naar aanleiding van een berigt, voorkomende in de Haarlemmer courant van 16 dier maand, de aandacht van den Minister van Binnenlandsche Zaken heeft gevestigd op de Amerikaansche zijderups Altacus Cecropia, met verzoek om te trachten, door tusschenkomst van den Nederland- schen gezant in Noord-Amerika, eenige levende poppen van die vlindersoort te verkrijgen, ten einde te beproeven of hier te lande de aankweeking zou kunnen gelukken, waartoe wel eenige kans scheen te bestaan, omdat de rups van Cecropia polyphaag is en het dus bij het uitkomen der ejjeren waarschijnlijk nimmer aan het noodige voedsel voor de jonge rupsen zou ontbreken. In antwoord daarop heeft de Minister, bij brief van 14 Januarij 1874, n°. 217, 12de
XIV | VERSLAG.
afd., den uitslag medegedeeld van een door Z. Exe. inge- steld onderzoek, waaruit blijkt dat de Cecropia-rups reeds in 1869 door het Berliner Akklimatisations-Verein en later door het Seidenbau-Versuchsstation in Görz en Ung. Alten- burg is gekweekt, maar dat daarbij het weefsel der cocons van zoodanigen aard is bevonden, dat een geregeld afhas- pelen niet mogelijk is en de telkens afbrekende draden alleen door middel van kaarden kunnen worden gescheiden tot eene eenigszins als zijde glanzige stof, welke even als katoen moet worden gezuiverd en gesponnen, en dan in hoedanigheid eene plaats inneemt tusschen merinos en zijde. Op grond van dit een en ander meent de Minister, dat het niet raadzaam zou wezen kosten ste maken, om rupsen van deze soort uit Noord-Amerika te ontbieden.
Als een gevolg en toelichting op hetgeen hiervoren reeds in het jaarverslag van den President is vermeld, omtrent de verplaatsing van een deel der bibliotheek , wordt thans nog door den Voorzitter medegedeeld, dat het de heer Ritsema, onze Bibliothecaris, is, die met zeer te roemen welwillendheid heeft aangeboden, om voor de geheele oor- spronkelijke boekerij der Vereeniging eene plaats in zijne eigen woning in te ruimen. De boeken zullen nu eerstdaags daarheen worden overgebragt. De Voorzitter meende het minder gepast dit reeds vroeger te vermelden, omdat de heer Ritsema heden aan eene herkiezing onderworpen was en de Vergadering, indien zij van deze schikking reeds vooraf kennis kreeg, niet volkomen vrij in hare keuze zou zijn geweest. Thans, nu de heer Ritsema herbenoemd is, bestaat dat bezwaar niet langer, en gelooft de Voorzitter, dat de Vergadering gaarne met hem zal instemmen, wan- neer hij den heer Ritsema dank betuigt voor zijn aanbod, waardoor, voorloopig althans, aan het gemis van ruimte in het lokaal der bibliotheek is te gemoet gekomen.
Ten slotte stelt de Voorzitter voor, om de uitgave van het werk over Hymenoptera, onder den titel van Pinaco- graphia door den heer Snellen van Vollenhoven uit te geven,
VERSLAG. XV
van wege de Entomologische Vereeniging te ondersteunen, en wel door voor hare rekening op eenige exemplaren in te teekenen. Na eenige beraadslaging, waarbij vooral de toestand der kas in aanmerking wordt genomen en er op wordt gewezen, dat de Vereeniging te eeniger tid wel in de gelegenheid zal komen om aan dezen of genen het bewuste werk ten geschenke te geven, wordt besloten om, onverminderd het exemplaar, dat volgens art. 50 der wet door den schrijver aan de bibliotheek der Vereeniging wordt gegeven , nog voor drie exemplaren in te teekenen, waar- van een ten behoeve der bibliotheek Hartogh Heys en dus ook voor rekening van de fondsen dezer bibliotheek. Aan den heer Snellen van Vollenhoven, die, alvorens deze zaak behandeld werd, kieschheidshalve de Vergadering verlaten had, wordt na zijn terugkeer dit besluit kenbaar gemaakt.
Na eene korte tusschenpozing wordt overgegaan tot het doen van wetenschappelijke mededeelingen.
De heer van der Wulp zegt, dat hij vóór eenigen tijd van Dr. Weyenbergh eene bezending Diptera uit Cor- dova ontving, die hem vooral zeer welkom was, omdat de Zuid-Amerikaansche soorten slechts zelden naar ons land worden overgebragt. De collectie was niet groot, in alles ongeveer 100 exemplaren, maar er waren verscheidene zeer merkwaardige voorwerpen bij. Spreker betreurt het dat er weinig kans bestaat, om later meer te ontvangen, want in de eerste plaats is sedert door de autoriteiten in de Argentijnsche republiek een verbod tot uitvoer van naturaliën uitgevaardigd en ten andere wordt de hooge- school, waar onze vriend Weyenbergh werkzaam is, opge- heven en zal hij derhalve waarschijnlijk het land verlaten. Spreker laat eenige der belangrijkste exemplaren ter bezig- tiging rondgaan en merkt op dat de familiën der Bombyliden en Asiliden inzonderheid in deze kleine collectie zijn ver- tegenwoordigd. Hij vestigt vooral de aandacht op de vol- gende soorten van Bombyliden.
XVI VERSLAG.
Exoprosopa erythrocephala F. Twee exemplaren, die beiden behooren tot de varieteit door Wiedemann vermeld, en waarbij aan de binnenzijde van den witten middenband der vleugels, digt bij den achterrand, nog een witte stip Sprekers
2
aanwezig is. Aan Braziliaansche voorwerpen, in bezit, ontbreekt die stip. De vleugelspits heeft een vrij smallen witten zoom, en het einde der zwarte kleur aldaar is boogvormig en niet regt afgesneden , zoo als bij andere verscheidenheden van deze soort.
Exoprosopa n. sp. Deze soort schijnt digt verwant aan E.Thomae F., doch zij heeft niet alleen aan den tweeden, maar ook aan den vierden en zesden lijisring een witten voorrand; ook heeft de thorax van boven aan beide zijden en van achteren een zoom van witte beharing.
Anthrax ditaenia Wied. Komt vrij goed overeen met Wiedemann’s beschrijving. Wat echter twijfel zou kunnen geven is dat Wiedemann de soort rangschikt in zijne derde «Horde», waarvan het aderbeloop door hem is afgebeeld op pl. HI, fig. 3, alwaar het aderbeloop van het geslacht Exoprosopa (met drie cubitaal-cellen) wordt voorgesteld , terwijl de hier vertoonde exemplaren slechts twee cubitaal- cellen bezitten en dus tot het geslacht Anthrax in beperk- ten zin behooren. Schiner (Diptera der Novara-Reise, blz. 124, n°. 27) stelt de soort mede onder Anthrax en schijnt alzoo de vleugeladeren even als bij deze exemplaren be- vonden te hebben. ,
Anthrax semitristis Phil. (Verhand. der Zool. bot. Gesellsch. XV, 665, 10). Een enkel exemplaar. De beschrijving past in allen deele, behalve op één punt. Philippi zegt namelijk, dat van de lichte vlekjes in de bruine kleur der vieugels, er een aan-de basis der discoidaal-cel bijzonder in ‘toog valt. Uit deze woorden zou moeten worden afgeleid, dat het bewuste vlekje in de discoïdaal-cel zelve ligt; het bevindt zich daarentegen aan het einde der tweede of mid- denste wortelcel, tegen de basis der discoidaal-cel leunende.
Anthrax paradora Jaenn. Een enkel voorwerp van deze
VERSLAG. XVII
merkwaardige soort, dat bovendien, jammer genoeg, onder- weg deerlijk gehavend is, zoodat alleen de koplooze romp met eenige pooten en de linkervleugel zijn overgebleven. Het geheel afwijkende aderbeloop en de eigenaardige vorm en teekening van den vleugel zijn echter voldoende om de soort dadelijk te doen herkennen, waarvan Jaennicke ten overvloede eene goede vleugelafbeelding gaf (Neue exotische Dipteren, pl. II, fig. 16). De vleugel is aan ’t einde zeer breed en rond, en de radiaal-ader is herhaaldelijk zeer sterk en hoekig omgebogen, met een spoor van kleine uitstekende adertjes aan de hoeken. Geen wonder, dat Jaennicke bij zijne beschrijving de vraag stelt, of deze soort niet tot een afzonderlijk geslacht moet worden gebragt? Inderdaad heeft Schiner, die het werk van Jaennicke niet schijnt gekend te hebben, in de Diptera der Novara-Reise, onder den naam van Diplocampta een nieuw Anthraciden- geslacht opgerigt, dat op de aangegeven kenmerken is ge- grond. Hij brengt daartoe eene soort uit Chile, die hij D. singularis noemt, en die, merkelijk kleiner dan Anthrax paradoxa , tevens den bruinachtigen voorzoom aan de vleugels mist. Schiner’s beschrijving van het geslacht Diplocampta laat geen twijfel over, of A. paradoxa moet er ook toe be- hooren.
Argyromoeba imitans Schin. (Diptera der Novara-Reise , 122. 15). Zoo als Schiner teregt opmerkt, gelijkt deze soort zeer op de Europesche A. varia.
Comptosia bifasciata Macq. (Dipt. exot., supp. IV. 114. 8. pl. 10. fig. 8). Uit de afbeelding, door Macquart gegeven, waar de sprieten geheel zwart zijn en de donkere gedeel- ten der vleugels zonder lichte plekken in de cellen zijn geteekend, is de vlieg niet ligt te herkennen. Philippi heeft bij de behandeling der Chilenische Dipteren (Verh. der zool. bot. Gesellsch. XV. 676) de soort duidelijk beschreven , en noemt zeer juist de vleugeladeren met breeden bruinen zoom. Hij beschrijft daar nog twee of drie verwante soor- ten, doch al de exemplaren, door den heer Weyenbergh
IT
XVIII VERSLAG.
overgezonden, behooren tot de soort, die Philippi als de echte C. bifasciata beschouwt.
Dischistus transatlanticus Phil. (Verh. der zool. bot. Gesellsch. XV. 649. 3). Een enkel vrouwelijk exemplaar.
Dischistus n. sp. Een 4, dat door de fraaije teekening . van het achterlijf zeer in ’t oog valt. Het achterlijf is namelijk fluweelzwart, met den tweeden en den vijfden ring blaauwachtig wit en op den vierden ring eene ronde middenvlek van dezelfde kleur.
Onder de Asiliden bevinden zich een paar mannelijke voorwerpen van eene prachtige soort van Dicranus, die verwant schijnt te zijn aan Dasypogon longiungulatus Macq. (Dipt. exot. supp. IV. 67. 71) !), doch niettemin in ver- schillende opzigten daarvan afwijkt. Reeds met het onge- wapende oog zijn aan deze voorwerpen de buitengewoon lange, aan den wortel kort gevorkte voethaken te zien, welke met het gemis der voetballen of pulvilli, het hoofd- kenmerk van het geslacht Dicranus uitmaken.
Onder verscheidene andere Asiliden heeft Spreker nog slechts ééne soort kunnen bestemmen, namelijk Erax senilis Wied.
Bij de zeer weinige Syrphiden, die zich in de bezending bevonden, trof hij een paar exemplaren aan van Temnocera spinigera Wied., kenbaar aan het van voren ingedrukte derde sprietenlid en de doorntjes aan den achterrand van het schildje.
Van de Musciden heeft Spreker kunnen bestemmen Sar- cophaga chilensis Macq., met haren gelen kop en rooden anus; Musca analis Macq., die zeer op onze gewone huis- vlieg gelijkt; en Borborus hirtipes Macq., dadelijk te her- kennen aan de ruige pooten en de donkere stippen op de vleugeladeren.
1) Dasypogon longiungulatus Macq. (Dipt. exot. 1. 2. 36. 7) is eene geheel andere soort.
VERSLAG. XIX
Eenigszins aansluitende aan het vorenstaande, vertoont de heer Snellen eene kleine collectie Lepidoptera, mede in de omstreken van Cordova in de Argentijnsche republiek verzameld en hem door Prof. Weyenbergh toegezonden. Ofschoon niet zeer soortenrijk, daar zij slechts 44 species bevatte en de vrucht was eener werkzaamheid van enkele maanden, zoo blijkt toch dat het karakter der vlinder-fauna van bovengenoemde landstreek overwegend tropisch is en sterk aan de Braziliaansche herinnert. De heer Snellen stelt zich voor later in het Tijdschrift eene bijdrage over deze Lepidoptera te leveren. |
Verder deelt dezelfde Spreker mede, dat hij in eene collectie Lepidoptera, door den heer Heckmeijer op den Ardjoeno (Java) verzameld en onuitgezet voor ’s Rijks Mu- seum van Natuurlijke Historie te Leiden aangekocht, de volgende soorten der Europesche fauna had gevonden:
Agrotis putris L. Hadena dysodea W. V. (Chrysozona Borkh.) Timandra amataria L. Botys sambucalis W. V. » verbascalis W. V.
Van geen dezer soorten was het voorkomen op Java aan Spreker bekend.
Uit deze laatste mededeeling ontstaat tusschen sommige leden eenige discussie omtrent de klimatologische versprei- ding der insecten, naar aanleiding waarvan de Voorzitter, Mr. W. Albarda, de aandacht vestigt op een door hem me- degebragt werkje van Dr. Ernst Hoffmann, Directeur van het Kon. Wurtembergsche Naturaliénkabinet te Stuttgardt, getiteld Die Isoporien der Europüischen Tagfalter, waarin, op grond van Darwinistische onderzoekingen, een geheel nieuw denkbeeld omtrent de Europesche fauna wordt ontwikkeld en waarbij tot opheldering kaarten zijn gevoegd. De Schrijver tracht de oorspronkelijke soorten op te sporen, die Europa in vroegere tijdperken bevolkten, en de rigting na te gaan waarin zich die bevolking heeft bewogen, en komt tot het
XX VERSLAG.
resultaat, dat onze tegenwoordige Europesche dagvlinders allen uit andere wereldstreken naar Europa zijn verhuisd, en wel uit Siberié, uit Klein-Azié en uit Afrika.
Ofschoon de heer Albarda zich vooralsnog niet in alle opzigten met de stellingen van Dr. E. Hoffmann kan veree- nigen, komt het hem voor, dat het werkje uit een faunis- tisch oogpunt zeer veel nut kan hebben, en dat het, niet- tegenstaande de scherpe critiek, die het van de Belgische Entomologen moest verduren, toch hoogst lezenswaard is.
Dewijl Spreker bemerkt, dat het bedoelde geschrift, hem welwillend door den Schrijver toegezonden, bij de meeste leden nog onbekend is, meent hij niet beter te kunnen doen dan het aan de bibliotheek ten geschenke te geven, waardoor de leden, die zulks verlangen, in de gelegenheid zullen zijn er nadere kennis mede te maken.
De heer Snellen van Vollenhoven geeft aan de leden eenige exx. eener lijst van alle inlandsche Lepidoptera, waarop aangeteekend is welke soorten nog niet in het be- kende insectenwerk van Sepp zijn behandeld. Hij deelt voorts mede dat hij voor eenigen tijd van den heer W. Mink te Crefeld, corresponderend lid onzer Vereeniging, een brief ontvangen had die eene aanmerking bevatte betreffende de tweederlei vormen van het wijfje van Microphysa psela- phoides, afgebeeld in den 16° jaargang van ons Tijdschrift op Plaat 5, fig. 10 en 11. De heer Mink gaf als zijne mee- ning op, dat het in fig. 11 voorgestelde insect niet het wijfje is van Mier. pselaphoides, maar van Micr. elegantula Bärensprung of volgens Fieber Zygonotus elegantulus Bàr. Tot staving van zijn beweren voegde de heer Mink er bij, dat hij deze soort voor eenige jaren in beide sexen bij Crefeld gevangen had en wel daaronder tweemaal in copulatie, zoodat bij hem geen twijfel bestond of zij waren twee sexen van eene en dezelfde soort, hoe verschillend het mannetje en wijfje ook mogen wezen in uiterlijken vorm. Noch Bärensprung, noch Fieber heeft het wijfje gekend; beiden
VERSLAG. XXI
hebben uitsluitend het mannetje beschreven, doch Mink heeft het wijfje doen kennen in een opstel in de Stettiner Entomologische Zeitung voor 1861 (pag. 128) en met zijne beschrijving aldaar stemt mijne beschrijving volkomen over- een. Volgens Mink vindt men beide sexen tegen de stam- men van oude boomen in parken en bosschen in Julij. — In een later geschreven brief meldde hij dat hij ook dit jaar de soort weder in verscheidene exemplaren tegen boom- stammen had aangetroffen en dat hij bij de eerste gelegen- heid een paartje zou overzenden.
Tot beter verstand van de eerste mededeeling moge dienen dat Fieber in zijne « Europaeischen Hemipteren » wel eene familie Microphysae aanneemt, maar niet het geslacht Micro- physa (hoe dit te rijmen zij, is niet regt duidelijk). In ge- noemde familie komen volgens hem 3 Europesche geslachten voor, Myrmedobia, Idiotropus en Zygonotus; dit laatste is hetzelfde als Westwood’s Microphysa. Fieber geeft niet op waarom hij dezen naam als generieken naam verwerpt en als familienaam behoudt.
Voorts zegt dezelfde Spreker nog ongeveer het volgende:
«Voor eenige jaren vond ik in mijnen tuin te Leiden laat in het najaar op eene Fuchsiaplant eenige zeer fraaije larven van bladwespen, die ik afbeeldde en bewaarde , doch niet tot imago kon brengen. In het vorige jaar vond ik dergelijken in September in menigte in het Haagsche bosch op Gircaea lutetiana, die aldaar in overvloed groeit. Ik zocht nu na in het uitmuntende werk van J. H. Kaltenbach «die Pflanzenfeinde aus der Klasse der Insekten» of hem deze larve ook bekend was en vond werkelijk onder de zes insectensoorten, die volgens dezen schrijver op het heksen- kruid leven, een Tenthredo Colon vermeld , met de beschrijving der larve, die volkomen overeenstemde met mijne teekening. Ofschoon ik in September een dozijn larven had opgekweekt , is daaruit in Junij geen enkele wesp bij mij te voorschijn sekomen, maar daar ik bijna dagelijks eene wandeling door het bosch maak, hield ik voortdurend het 00g op de Circaea en
XXII VERSLAG.
zag op zekeren zonnigen Julijdag tot mijn genoegen blad- wespen daarover vliegen en er zich op nederzetten. Dien dag en den volgenden heb ik een achttal wespen verzameld, die kennelijk elkander met liefkozingen navlogen. Die wes- pen waren T. Colon. Geene andere bladwesp heb ik immer op de Circaea aangetroffen; ik meen dus geregtigd te zijn om aan te nemen dat de gevangen wespen voortgekomen zijn uit dergelijke larven als-ik in het vorige najaar op het heksenkruid heb waargenomen en denk de beschrijving in mijne Inlandsche bladwespen op te nemen. Naar verhouding tot het aantal larven in den herfst van 1873 was het getal wespen zeer gering, doch dit is, behalve aan de gewone oorzaken, die de ontwikkeling van vele individuen tegen- houden, voornamelijk aan de langdurige koude in het voorjaar toe te schrijven.”
Eindelijk laat Spreker nog afbeeldingen van eenige sluip- wespen rondgaan, als: eene nieuwe soort van Eupelmus, die misschien zelfs een nieuw genus naast Eupelmus zal moeten vormen; het mannetje van Agriotypus armatus, den vijand der Phryganenlarven; beide sexen van Ichnewmon latrator Gr. en de varieteit van het wijfje met korte vleu- geltjes zonder areola, welke bijzonderheid Gravenhorst aanleiding had gegeven om voor dit dier een nieuw genus onder den naam van Brachypterus te vormen. De eerste der genoemde sluipwespen was door den heer G. A. Six dezen zomer onder meer andere zeldzaamheden bij den Haag ontdekt, de overigen waren ter afbeelding overgezonden door den Entomoloog Chr. Drewsen van Kopenhagen. Ichneu- mon latrator is overigens ook reeds vroeger in ons vaderland aangetroffen, doch voor zooverre Spreker bekend is, de verscheidenheid met korte vleugeltjes nog niet.
De heer Leesberg vermeldt, dat hij in het jongste voorjaar, onder de schors van een gevelden beuk, een exemplaar heeft gevonden van Platydema violacea F., een coleopteron dat tot dusver slechts zeer zelden in weste-
VERSLAG, XXIII
lijk Europa is aangetroffen. Hij meent dat de mededeeling dezer vindplaats welligt aanleiding zal geven, dat deze Diaperide ook elders in ons land zal worden ontdekt. Voorts werden door hem rupsen van Asopia farinalis L. waargenomen in de kurken van flesschen met zoeten wijn; zij vraten de kurk tot aan het ondereind door, tot niet geringe schade van den inhoud der flesschen, verpopten zich tegen den hals der flesch en leverden na verloop van vier of vijf weken den vlinder.
De heer Backer laat ter bezigtiging rondgaan een exemplaar van Trochilium crabroniforme Lewin, dat hij den 13 Julij van dit jaar te Oosterbeek aan den Rijnkant tus- schen het rijswaard ontdekte, en waarop hij de aandacht vestigt wegens de groote zeldzaamheid; zijnde een exem- plaar vóór welligt meer dan een vierde eeuw hier te lande gevangen, en de soort, zooveel hem bekend is, sedert niet meer waargenomen.
In de tweede plaats vertoont dezelfde Spreker een paar merkwaardige verscheidenheden van Papilio Machaon L. Beiden missen schier geheel den gewonen zwarten rand langs den buitenkant der bovenvleugels, waardoor de nu gele rand een in toog loopend vreemd voorkomen geeft; een der exemplaren heeft bovendien aan het boven uiteinde der ondervleugels een rood vlekje, dat bij deze vlinder- soort wel meer wordt waargenomen.
De heer Lodeesen stelt ter bezigtiging een exemplaar van Nola strigula W. V., in de maand Julij jl. door hem onder Eemnes gevangen, van welke soort tot dusver alleen door den heer Heylaerts een voorwerp in de omstreken van Breda was gevonden.
De heer Ritsema deelt ongeveer het volgende mede: Een in het vorig jaar te Neurenberg verschenen werkje van Dr. Ludwig Koch, getiteld: Uebersichtliche Darstellung
XXIV VERSLAG.
der Europäischen Chernetiden (Pseudoscorpione) deed Spreker besluiten eens te onderzoeken welke soorten van Bastaard- schorpioenen er in ons land voorkomen. Hij gaf zijn voornemen aan verschillende onzer entomologen te kennen, met het verzoek hem in het verzamelen dezer diertjes be- hulpzaam te zijn. Aan hunne welwillendheid is het dan ook grootendeels te danken dat hij reeds nu eene lijst van een achttal inlandsche soorten, verdeeld over vijf geslach- ten, kan overleggen 1), terwijl tot nu toe slechts twee soorten als inlandsch waren opgeteekend Ghelifer (Cheiri- dium) Musaeorum Leach en Chelifer cancroides Linn., in Snellen van Vollenhoven’s Gelede dieren van Nederland. Dat er in ons land nog vele andere soorten gevonden zullen worden is zeer waarschijnlijk, daar Koch in het genoemde werkje 48 soorten vermeldt, die over 9 geslachten ver- deeld zijn.
Voorts is Spreker zoo gelukkig geweest Acentropus niveus Oliv. in de tweede helft van deze maand (Augustus) aan den vijver van het landgoed Beekhuizen bij Arnhem in groote menigte, doch weder alleen in het mannelijke ge- slacht, aan te treffen (een 30tal voorwerpen werden ter bezigtiging rondgegeven.) Dit is dus voor ons land reeds de vierde vindplaats van dit vlindertje, als: Overveen bij Haarlem (Wevenbergh en Ritsema), Noordwijkerhout (de Graaf), de Koog op Texel (Ritsema) en nu ook Beekhui- zen bij Arnhem (Ritsema). Met grond meent hij dan ook te mogen voorzien dat het nog op vele plaatsen van ons land zal worden aangetroffen, en welligt even gemeen zal blijken te zijn als de bekende land-phryganide (Enoicyla pusilla Burm.) die nu reeds in de provinciën Noord- en Zuidholland, Utrecht, Noordbrabant, Gelderland en Gro- ningen gevonden is.
Van meer belang evenwel is het vangen (eveneens in de maand Augustus van dit jaar) van een’ vrouwelijken
1) Zie Bijlage A achter dit Verslag,
VERSLAG. XXV
Acentropus met goed cntwikkelde vleugels door Pater Max. Vinc. Aghina in het Dominicaner klooster te Huissen. Dit wijfje, dat des avonds op het licht der lamp afkwam en daarna, even als bij de mannetjes van den Miveus is waar- genomen, zeer wild over de tafel bleef rondvliegen, is aan- merkelijk grooter dan de door mij op verschillende plaatsen gevangen Niveus-mannetjes, hoewel deze onderling ook nog al eenig verschil in grootte aanbieden; voorts is bij dit wijfje de voorrand der voorvleugels vrij sterk uitgebogen , terwijl hij bij de Niveus-mannetjes vlak, voorbij het mid- den zelfs iets ingedeukt is; verder zijn de voorvleugels vrij eenkleurig blaauwgrijs (de franje echter is helder wit), voorbij het midden langs den voorrand slechts flaauw ver- donkerd, met een donker streepje op de dwarsader, terwijl de Niveus-mannetjes geene teekening op de dwarsader hebben.
Genoemde kenmerken nu zijn de hoofdpunten, waarin beide sexen van de door Spreker als tweede soort van het geslacht Acentropus beschouwde Latipennis Möschl. van de Niveus-mannetjes verschillen, en volgens Möschler ook ver- schillen moeten. Het bestaan van twee soorten is echter nog geene uitgemaakte zaak. Dunning b. v. neemt slechts ééne soort aan (Niveus Oliv.), aan welke hij twee vormen van wijfjes toekent, en wel eene met rudimentaire, de andere met volkomen ontwikkelde vleugels. Acentropus lati pennis Möschl., volgens Dunning volkomen gelijk aan Zancle Hansoni Steph., zou dan de vrouwelijke vorm met goed ontwikkelde vleugels zijn. Ook MacLachlan meent na het onderzoek der anaal-aanhangsels van mannetjes van de verschillende vindplaatsen slechts eene enkele soort te mogen aannemen.
Dat dit vraagstuk kan worden opgelost door het vangen of kweeken van vrouwelijke individuen van Overveen, Noordwijkerhout, Texel of Beekhuizen, en van mannelijke individuen van Huissen, is gemakkelijk in te zien. Voor- loopig doet Spreker reeds opmerken, dat onder de honderden van individuen, door hem op de eerstgenoemde plaatsen ver-
XXVI VERSLAG.
zameld, geen enkel wijfje werd aangetroffen, maar dat hij door kweeking van rupsen, uit de Brouwerskolk bij Over- veen afkomstig, wijfjes verkreeg die slechts van vleugelru- dimenten voorzien waren !), en zich onder de oppervlakte van het water bleven ophouden, terwijl het eerste voor- werp het beste dat te Huissen gevangen werd, juist een wijfje met goed ontwikkelde vleugels is. Hoewel Spreker gedurende twee dagen aan het water in de nabijheid van het klooster te Huissen ijverig naar meerdere exemplaren gezocht heeft, is het hem niet mogen gelukken een enkel voorwerp te vinden, reden waarom Pater Aghina de wel- willendheid had het door ZWEerw. gevangen voorwerp tijdelijk af te staan, ten einde het in deze vergadering ter bezigtiging aan te bieden.
Spreker eindigt deze mededeeling met de verzekering dat hij niet zal rusten voordat het duistere in de Acen- tropus-quaestie geheel is opgehelderd.
Nadat de verschillende ingeschreven sprekers het woord hebben gevoerd en de Voorzitter in omvraag gebragt heeft of een der Leden nog eenige mededeeling had te doen, verzoekt de heer A. Brants het woord, om een door hem geuit, doch niet algemeen gedeeld gevoelen nader te ver- dedigen.
Bij de beschrijving namelijk, der levenswijze van Psyche plumifera Ochs. , opgenomen in Sepp’s Nederlandsche vlinders (2° serie, deel III, afl. 28, bl. 154 e. v.) — zoo spreekt de heer Brants in hoofdzaak — had hij beweerd, dat de rupsen der Psychiden, hare zakken ter verpopping vastgesponnen hebbende, zich vóór de aflegging der laatste rupsenhuid in die zakken omwenden en dus met de naschuivers komen te staan bij de vroegere mondopening der woning, thans aan het een of ander stevig voorwerp vastgesponnen; Z00-
1) Eenmaal vond de heer Ritsema in dezen vijver eene vrouwelijke pop, die goed ontwikkelde vleugelscheeden vertoonde; daar hij haar echter uit het spinsel verwijderd had kwam zij niet tot ontwikkeling,
VERSLAG. XXVII
dat zij bij de verpopping de afgelegde rupsenhuid te zamen drukken tegen dit vastgesponnen gedeelte van den zak, met het gevolg dat deze huid dan ook steeds in de woning aanwezig blijft.
Die bewering nu, waardoor Spreker in gevoelen verschilde met den geachten Schrijver der verhandeling over Psyche hirsutella Hbn. (zie Sepp’s Nederlandsche vlinders, 2° serie, deel III, afl. 14, bl. 74 e. v.), was den heer B. gebleken van ver- schillende zijden te zijn afgekeurd als niet voldoende geregt- vaardigd. Het was hem derhalve dubbel aangenaam, zijne mee- ning thans door latere waarnemingen te kunnen bevestigen.
Bij opening toch van een aantal vastgesponnen zakken van verschillende Psychiden, als van Psyche villosella Ochs., Psyche opacella H.S., Psyche plumifera Ochs. en Epychnopteryx Helix Siebold, bleek het vooreerst dat de poppen van beide sexen steeds met den kop naar de opengebleven achter- opening van den zak zijn gekeerd, en ten tweede dat de afgelegde rupsenhuid altijd in de zakken aanwezig blijft en het staarteinde der pop omklemt. Ten einde dit aan de Leden te doen zien, laat de heer B. verscheidene opengesne- den zakken van Psyche opacella H.S. en Epychnopteryx Helix Siebold (allen vrouwelijke exemplaren) rondgaan, waarın zoowel nog de rupsenhuid als de pop of haar vlies aanwezig waren. Spreker meent dus, dat het voor de vier genoemde soorten !) niet te betwijfelen valt, of de afgelegde rupsen- huid wel steeds in de woning achterblijft; terwijl de om- gewende plaatsing der Psychiden-pop, ook voor andere soorten, eene verwijdering dier huid uit den zak, zeer onwaarschijnlijk maakt. Op dezen grond meent hij dus te mogen blijven bij zijn gevoelen, dat ook de huidjes door den heer Heylaerts aan de vastgesponnen zakken van Psyche hirsutella Hbn. waargenomen, niet van de verpopping, maar van eene vorige vervelling afkomstig waren.
1) Een, na de vergadering, van den heer Ritsema ontvangen zak van Psyche graminella
W. V. 2, bewees het ook voor deze soort,
XXVIII VERSLAG.
De heer Snellen van Vollenhoven oppert hierop echter de veronderstelling, dat de rupsen zich niet ter verpopping omwenden, doch dat de nog weeke pop terstond de afge- stroopte huid uit den zak dringt en zich eerst daarna omkeert, om met de voorste ledematen naar de achteropening van haar verblijf gewend te zijn. De heer Brants verzekert evenwel, dat hij in reeds vastgesponnen zakken nog onver- anderde en toch reeds omgewende rupsen aantrof; hetgeen nader bevestigd wordt, doordien de heer Snellen, staande de vergadering, twee vastgesponnen woningen van Psyche opa- cella H. S. opent, in ieder van welke zich eene verdroogde rups bevindt, beiden echter reeds met den kop naar de achteropening van den zak gekeerd.
De Voorzitter, de heer Albarda, kan zeer goed het ge- voelen van den heer Brants deelen, dat de rupsen der Psychiden zich vöör de verpopping in haren zak omdraaijen,
doch verzekert ten stelligste — hierin gesteund door de heeren Snellen en Ritsema — dat alle zakken van Psyche
hirsutella Hbn. door hen bij den heer Hevlaerts gezien, een rupsenhuidje in of bij de achteropening voerden, het- welk na de vastspinning daaruit was te voorschijn gekomen en dus hoogst waarschijnlijk de huid was, die bij de ver- popping werd afgelegd.
De heer Brants wil gaarne aannemen dat er bij Psyche hirsu- lella, in tegenstelling met de door hem gekweekte Psyche’s, cen rupsenhuidje achteraan den vastgesponnen zak te voor- schijn komt, te meer daar de heer Albarda toevallig een zak van genoemde soort, met een huidje er aan, kan vertoonen; doch waagt de opmerking dat dit even goed de huid kan zijn, die de rups reeds bij de laatste vervelling aflegde, doch die in de sluitdraden der naauwe achteropening van den zak blijft haken, totdat het dier haar, na de vastspinning van den zak en de omwending daarin, doeh vóór de ver- popping, er uit werkt, ten einde bij het uitbreken als vlinder geene belemmering te ontmoeten.
Dit gevoelen viel gemakkelijk te toetsen, indien deze zak
VERSLAG. XXIX
slechts werd onderzocht, waartoe de Voorzitter hem wel- willend afstond.
Bij opening bleek nu aan de heeren Albarda, Snellen en andere belangstellende Leden, dat zich, behalve de rupsen- huid, aan het achtereind aanwezig, in dezen zak in de eerste plaats het vlies eener mannelijke pop bevond (waaruit een Ichneumon was gebroken) en bovendien, tegen de vast- gesponnen vooropening aangedrukt, het laatste bij de ver- popping afgestroopte rupsenhuidje; zoodat het overtuigend bleek, dat ook bij Psyche hirsutella de laatste rupsen- huid in den zak aanwezig blijft en de daaraan, na de vastspinning verschijnende huidjes slechts overblijfselen van vroegere vervellingen kunnen zijn.
De vergadering aarzelt thans niet meer om als bewezen aan te nemen dat de rupsen der Psychidae hare zakken ter verpopping met de vooropening vastspinnen; zich vervolgens daarin omwenden, zoodat zij met den kop bij de achter- opening komen; de zakken daarna zuiveren van de daarin aanwezige overblijfselen van vroegere vervellingen of van andere stoffen; en eindelijk de rupsenhuid afleggen, die tegen de vastgesponnen vooropening van den zak wordt te zamen gedrukt en daar steeds aanwezig blijft. ’)
Nog vestigt Dr. Everts de aandacht der vergadering op een geschikt middel om eene der zeldzamere Silphiden,
1) Op bovenstaande wijze kwam de Nederlandsche Entomologische Vereeniging, uitsluitend op grond van eigen waarnemingen, tot een gevoelen, dat reeds voor meer dan het vierde eener eeuw door Zeller verkondigd werd, toen hij, handelende over Psyche apiformis, op bladz. 427 der Isis voor 1847 schreef: # Zwei Raupen hatten „ihre abgestreiften Bälge schon herausgeschoben. Von diesen 2 Raupen untersuchte „ieh am 13 März die eine; sie war noch unverwandelt und hatte sich mit dem Kopfe „zegen das Afterende des Sackes gekehrt und sich mit Fäden umgeben. Die heraus- „geschobene Haut war also von der vorigen Häutung, nicht von der der Verpuppung » unmittelbar vorhergehenden. »
Het is der Redactie aangenaam zieh door de oplettendheid van den heer Snellen in staat gesteld te zien op bovenstaand getuigenis van Prof. Zeller te kunnen wijzen, dat het gevoelen van den heer Brants zoo krachtig steunt, en ten overvloede de aandacht te vestigen op een stuk van Zeller in Zsis 1840 bl. 214 (voor Psyche calvella), alsmede op de Stettiner Entomologische Zeitung 1874, bl. 230, waarin C. Berg de bovenverdedigde meening insgelijks bevestigt.
XXX VERSLAG.
Necrophilus subterraneus TL, magtig te worden. Gedurende zijn verblijf te Göttingen in dezen zomer is hem gebleken, dat men, door een aantal exemplaren van Helix pomatia stuk te slaan en opeen te hoopen, meermalen in de gele- genheid is deze fraaije soort te verzamelen. Welligt kan deze wijze van behandeling er toe leiden, dat wij eenmaal die soort ook als tot onze Fauna behoorende kunnen aan- teekenen.
Voorts vermeldt nog de heer A. B. van Medenbach de Rooy, dat de rups van Ocneria Monacha L. dit en het vorige jaar in eenige dennenbosschen van Gelderland groote verwoestingen heeft aangerigt. In 1873 had hij opgemerkt, dat ter plaatse waar de rupsen in groote menigte voor- kwamen, zich ook vele koekoeken bevonden, die onophou- delijk jagt op haar maakten; niettemin had hij geene be- langrijke vermindering van het aantal rupsen kunnen be- speuren. Daar deze soort zich uitsluitend in de takken verpopt, meent hij dat het kwaad zou zijn te beteugelen, door zooveel mogelijk de spinsels en poppen, die tusschen de naaldelooze takken zeer in ’t oog vallen, bijeen te zamelen en te vernietigen. Er was daaraan weinig gedaan, met het gevolg dat de rupsen zich dezen zomer op nieuw in schrikbarende hoeveelheid vertoonden en zich meer over al de dennen- en eikenbosschen in den omtrek ver- spreidden, zoodat er aan geen uitroeijen meer te denken viel. In dezen zomer van daar medegebragte poppen had- den grootendeels de melanische verscheidenheid opgeleverd.
Eindelijk geeft de heer Snellen nog eenige toelichting op de afbeelding eener rups, waarvan de teekening was vervaardigd en ingezonden door het nieuwe lid der Veree- niging, den heer van Leeuwen, die, op grond der beschrij- ving, door Snellen in zijne « Vlinders van Nederland» naar Wilde gegeven, meende dat het de rups van Nola confu- salis zou kunnen zijn, met uitzondering echter, dat de
VERSLAG. XXXI
ruggestreep aldaar ongelijk breed wordt genoemd. Onge- lukkig had de heer van Leeuwen de rups niet tot ontwik- keling kunnen brengen. De heer Snellen gelooft dat de afbeelding inderdaad die van de genoemde soort is. 1)
Niemand verder het woord verlangende, sluit de Voor- zitter de vergadering, onder dankbetuiging aan de verschil-
lende sprekers voor hunne wetenschappelijke mededeelingen.
Aan de excursie, den volgenden dag in de omstreken van de Rhedersteeg ondernomen, werd door al de ter vergadering opgekomen leden, met uitzondering van den heer Backer, en bovendien nog door Dr. Kallenbach uit Rotterdam deel- genomen. Ofschoon dit bij het ongestadige weder der laatste dagen weinig te verwachten was, werd zij door vrij goed weder begunstigd. Er werd voornamelijk achter Rhederoord en in de zoogenaamde Onzalige bosschen gejaagd. Voor de Lepidopterologen viel de buit niet bijzonder mede, wijl zij bijna niets dan gewone soorten vingen. Wat Coleoptera betreft, deelde Dr. Everts een lijstje van gevangen soorten mede, waarop onder anderen voorkomen : Notiophilus biguttatus F., Anchomenes gracilis St., Bembidium punctulatum Drap., Philonthus corvinus Er., Strophosomus obesus Marsh., Apion penetrans Germ., Trifolii L., flavipes F. en virens Hrbst, Plectroscelis concinna Marsh., Longitarsus ochroleucus Marsh., en Psylliodes marcidus Ill. Als min of meer zeldzame Orthop- tera, Hymenoptera en Hemiptera, op deze excursie gevangen, gaf Dr. Snellen van Vollenhoven op:
Orthoptera.
Blatta Ericetorum Wesm., beide sexen op heide. Ephippigera Vitium Serv., 2 wijfjes op Ulex europaeus. Odontura punctatissima Bosc, 1 2 op Ulex eur.
1) Eene latere mededeeling van den heer Snellen bevestigt dit. Hij zegt daarbij, dat de teekening vrij goed overeenkomt met de beschrijving, door Speyer in de Stettiner Entomol. Zeitung, 1873 blz. 357 gegeven. Speyer noemt aldaar Wilde’s be- schrijving #kurz und nicht ganz zutreffend. »
XXXII VERSLAG.
Hemiptera.
Cimex lituratus Kl., zeer bont gekleurd, vele exemplaren op heide en Ulex europaeus. Acanthosoma griseum L., een groen ex. d. >» ferrugator L., een ex. op heide. Alydus calcaratus L., een ex. op gaspeldoorn (Ulex). Pachymerus Pini L., een ex. » rusticus Fall., een gepaard paar. » sabulosus Schill., een ex. in kleur eenigszins afwijkend van de Driebergschen. Monolocoris Filicis L., 3 ex. op Pteris aquilina. Phytocoris longicornis Wolff, 2 ex. Oncotylus Tanaceti Fall., 1 ex. Nabis brevipennis Hahn. Oxyrrhachis Genistae F. op gaspeldoorn. Jassus (Athysanus) plebejus? Fall. 4 ex.
Hymenoptera.
Tryphon elongator F.
Lissonota bellator Grav.
Blacus (Ganychorus) tuberculatus Wesm. 9, nieuw v. d. F. Eulophus Larvarum Latr.
Proctotrupes gravidator L.
Myrmosa atra Latr. 4, bijzonder groot van statuur.
Ook door sommige andere leden werden exemplaren medegenomen van de ook in volwassen staat ongevleugelde Locustide Ephippigera Vitium Serv. Onder de Diptera, door den heer van der Wulp gevangen, waren merkwaardig Limnophila placida Meig., Empis serotina Lòw en eene kleine Tachinine, Tachina mutabilis Fall., die in het geslacht Masicera schijnt te moeten worden geplaatst, althans niet behoort tot Meigenia, waaronder Schiner haar in zijne Fauna austriaca rangschikt, waarschijnlijk zonder zelf de soort te kennen. Cyr- toneura curvipes Macq. en Hydrotaea ciliata F. waren voorts niet zeldzaam in het geboomte digt bij den oever van den IJssel.
Bijlage A.
DER TOT
NEAFA MCE; IST
HEDEN
IN NEDERLAND WAARGENOMEN
BASTAARD-SCHORPIOENEN (CHERNETIDEN)
1. Musæorum Leach.
2. Reussii C. Koch.
3. Hahnii C. Koch
DOOR
C. RITSEMA Cz.
cHEIRIDIUM Menge.
Leach, Zool. Misc. III. n°. 5. Te
— C. Koch, Die Arachniden, Bd. X. p. 43; T. 338. f. 781. — Menge, Ueber die Schee- renspinnen , Chernetidiae. p.36. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Cherneti- den, p. 2.
Leiden, Herklots. Het geheele jaar door in doozen met insecten in het Leidsch Museum, in een oude hombre-doos en onder de wespennesten van mijne collectie te Haarlem, Rit- sema.
CHERNES Menge.
C. Koch, Die Arachniden, Bd. Te Leiden, Snellen van Vol-
X. p. 48; T. 340. f. 785. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Chernetiden, p. 5.
lenhoven. — Bij menigte in den zonnenschijn op ver- welkte släbladeren op een mesthoop te Rhoon, Schep- man.
C. Koch, Die Arachniden, BA. In Holland, de Haan. — Den
X. p. 51; T. 340. f. 787. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Chernetiden, p. 12.
18% April tegen den stam van een perenboom in een tuin te Middelburg, de Man. — Achter de schors van een wilg in Mei bij Leiden, Rits. — Achter id. in Augustus te Rhoon, Schepman.
III
XXXIV
4. (‘aneroides Linné.
5. Schaefferi C. Koch.
6. Granulatus C. Koch.
7. Ravi
L. Koch.
8. Muscorum
C. Koch.
VERSLAG.
CHELIFER Geoffroy.
Linnaeus, Syst. Nat. tom. I. Komt
pars II. p. 1028.— C. Koch, Die Arachniden Bd. X. p.41; T. 338. f. 780. — Menge, Ueber die Scheerenspinnen, Chernetidae. p. 30. T. 4. f. 5. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Cherneti- den p. 16.
in Nederland voor volgens Snellen van Vol- lenhoven’s Gelede dieren van Nederland, dl. I. blz. 69, doch is niet door mij gezien.
C. Koch, Die Arachniden, Bd. Onder steenen in April in
X. p. 55; T. 341. f. 790. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Chernetiden, p. 17.
de duinen, Snellen. — Onder id. in Mei te Rhoon, Schep- man.
C. Koch, Die Arachniden, In een huis te Leiden, in Mei,
Bd API TI. LAUT. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Chernetiden. p. 21.
Jentinck. — In een huis te Oosterbeek in Junij, Rit- sema.
CHTHONIUS C. Koch.
L. Koch, Uebers. Darstell. d. Onder steenen aan den oever
europ. Chernetiden, p. 48.
OBISIUM Illiger.
van de Maas bij Rotterdam in Mei, Schepman. — Onder steenen aan den oever van den IJssel bij Westervoort in Augustus, Ritsema.
C. Koch, Die Arachniden, In Nederland, Groll. — In
Bd. X. p. 67; T. 344. f. 799. — L. Koch, Uebers. Darstell. d. europ. Chernetiden, p. 64.
November by Leiden, de Man. — Twee wijfjes (de eijeren onder den buik dra- gende) den 10 Mei in spin- seltjes in een vermolmden wilg bij Leiden, Rits. — 12 Mei achter de schors van een populier bij Leiden, id. — 24 Mei in vermolmd hout in de Scheveningsche boschjes, id. — In Januarij achter de schors van een ijpenboom te Voorburg, Ivangh Schep- man.
LIJST DER LEDEN
NEDERLANDS CHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
op 29 Augustus 1874,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
Pete
BEGUNSTIGERS.
Teyler’s Stichting te Haarlem. 1860.
De heer Mr. ©. W. Hubrecht, te Leiden. 1859.
» » >. Kneppelhout, Hemelsche Berg te Oosterbeek. 1867.
» » Francois P. L. Pollen, te Scheveningen. 1867.
Mevrouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te ’s Gravenhage. 1868. De heer Dr. F. J. I. Schmidt, te Rotterdam. 1869.
» » Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869.
» » Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle
bij Middelburg. 1870. » n Jhr. F. van den Santheuvel, te Dordrecht. 1870.
EERELEDEN.
De heer C. F. Westerman, Direeteur van het Koninklijk Zoologisch
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858.
» » H. T. Stainton, Esq. Mountsfield, Lewisham bij Londen. 1861.
» » Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis- senschaften en Burgemeester van Weenen. 1861.
n° » Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862.
n n Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Directeur van het Hopean Museum te Oxford. 1862.
» A. E. W. Ludeking, Officier van gezondheid bij het Nederl. Indische leger. 1862.
» » Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort, oud-Officier van ge- zondheid, practiserend geneesheer te ’s Gravenhage. 1864,
XXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.
De heer Prof. J. J. P. Hoffmann, te Leiden. 1865. » » Dr. Gustav L. Mayr, te Weenen. 1867. » » Dr. H. D. J. Wallengrèn, te Farhutt, bij Högandäs in Zweden. its vals n » R. MacLachlan, F. L. S., te Londen. 1871. n» Dr. T. Thorell, Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool te Upsala in Zweden. 1872. + » Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologische Vereeniging te Stettin. 1873. » » M. E. Baron de Selys Longehamps, te Luik. 1874. n » Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874.
CORRESPONDERENDE LEDEN.
De heer Prof. Arn. Förster, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Aken. 1855. 5» » Emil vom Bruck, te Crefeld. 1853. s » Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te Stockholm. 1864. » » Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864.
» » Je W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865. » » Mr. J. W. van Lansberge, Buitengewoon Gezant en gevol- magtigd Minister der Nederlanden te Brussel. 1865.
» » Prof. P. C. Zeller, Grünhof bij Stettin. 1867.
» + W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre- feld. 1867.
+ » Dr.H. Weyenbergh, Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova in de Argentijnsche Republiek. 1872.
» » Dr. W. Marshall te Weimar. 1872.
n n J. Putzeys, te Brussel. 1874.
n n À. Fauvel, te Caen. 1874.
BUITENLANDSCHE LEDEN
De heer Henri Vicomte de Bonvouloir, Archiviste-adjoint de la Société entomologique de France, te Parijs, Rue de l'Université, 15. » » H. Jekel van Westing, lid der K. Acad. der natuuronderzoe- kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen, te Parijs, Rue Letort, 2.
GEWONE LEDEN. 1845-46.
De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te Amsterdam. » » E.M. van der Wulp, Spui, n°. 93, te ’s Gravenhage. — Diptera.
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXVII
De heer Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schothorst, te
De heer
”
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie. J. W. Lodeesen, Prinsengracht bij de Reestraat, KK, 561, te Amsterdam. — Lepidoptera indigena. Dr. J. R. E. van Laer, te Utrecht. Dr. P. H. J. Wellenbergh, te Oisterwijk. Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecht. — Lepidoptera. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Phil. nat. Dr., 2de Van den Boschstraat, 34, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera en Hemiptera. — W. O. Kerkhoven, te Twello. 1851-52. R. T. Maitland, Directeur van den Kon. Zoologisch-botanischen Tuin te ’s Gravenhage. — Algemeene Entomologie. P. C. T. Snellen, Zuidblaak, wijk 2 n°. 12, te Rotterdam. — Lepidoptera. Dr. M. Imans, te Utrecht. Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht, te Utrecht. 1852—53. N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat, te Leiden. — Lepidoptera. Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te ’s Gravenhage. — Inl. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera. G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera. Dr. L. A. J. Burgersdijk, Hoogleeraar aan het Athenaeum te Deventer. — Algem. Entomologie. G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te ’s Gravenhage. — Hymenoptera. Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum te Amsterdam. 1855-56. A. A. van Bemmelen, Directeur van de Diergaarde te Rol- terdam. — Algemeene Entomologie. Mr. E. A. de Roo van Westmaas, Huize Daalhuizen, te Velp. — Lepidoptera. M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera. 1856-57.
Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi- doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera.
Mr. W. Albarda, te Ginneken bij Breda. — Lepidoptera en Neuroptera.
A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden.
Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerkade, 15, te ’s Gravenhage. — Arachniden.
1857-53,
De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utrecht,
N
”
W. K. Grothe, te Zeist.
XXXVIII LIJST DER LEDEN ENZ. 1358-59. De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. — Lepidoptera. n » J. Backer Jr., te Oosterbeek, — Lepidoptera. 1860-61. De heer J. Kinker, Oudezijds-Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort, B. 261, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena.
» » Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Korte- naerstraat, 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica.
1862-63. De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beck bij Nijmegen. — Lepidoptera. 1863 -64. De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene Entomologie. » » D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F, 3471, te Zwolle. — Lepidoptera. 1864-65.
De heer Mr. A. H. Maurissen, te Maastricht. — Lepidoptera. H. J. Veth, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Bur-
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie. » » H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera. 1865-66.
De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat, te Arnhem. — Lepidoptera. » » Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera. 1366-67. De heer F. J. M. Heylaerts Jr., St. Jansstraat te Breda. — Lepi- doptera enz. n » Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge- meene Zoologie. » » A. van den Brandt, te Venlo. — Lepidoptera.
1867-68.
De heer C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur- lijke historie, Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene Entomologie.
» » Mr.H. Hartogh Heys van Zouteveen, Phil. nat. Doctor, te Assen. 1868-69.
De heer Dr.J. G. de Man, Adsistent bij ’s Rijks Museum van Natuur-
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie,
LIJST DER LEDEN ENZ. XXXIX
De heer Dr. T. W. O: Kallenbach, te Rotterdam. — Lepidoptera.
n
»
De
De
De
n
n
heer
heer
heer
heer
A. Cankrien, Boompjes, te Rotterdam. — Lepidoptera. Mr. C. J. Sickesz, Burgemeester van Laren, Huize de Cloese bij Lochem.
1369-70.
Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Leiden. M. Nijhoff, Raamstraat 49, te ’s Gravenhage. — Bibliographie. .
1870-71.
Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Breda.
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger- school, Huigensstraat 15, te ’s Gravenhage. — Coleoptera. Mr. M. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch Indië, thans met verlof hier te lande, te ’s Gravenhage. — Lepidoptera.
Dr. P. J. Veth, Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder- wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indié, te Leiden.
1871—72.
W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera. D. Burger, Phil. nat. Stud., te Leiden. — Hemiptera. J. Ritzema Bos, Phil. nat. Cand., Leeraar aan de Hoogere Burgerschool en de Landbouwschool te Wageningen. J.F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, G, 206, te Amsterdam. — Algemeene Entomologie. J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera. Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te ’s Graven- hage. — Coleoptera. Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen. M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera. Dr. C. K. Hoffmann, Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende ontleedkunde.
1872-73. Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem.
1873-74. H. P. Snelleman, Phil. nat. Stud., Nieuwe Rijn te Leiden. A. B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem. J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand., Prinseneiland te Amsterdam. — Lepidoptera. J. C. Stern, te Sluis. Mr. M. ’s Gravesande Guicherit, te Delft.
XL
COMMISSIE
LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
President. Mr. W. Albarda.
Vice-President. P. C. T. Snellen.
Secretaris. F. M. van der Wulp.
Conservator. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven. Bibliothecaris. C. Ritsema Cz.
Penningmeester. J. W. Lodeesen.
VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.
De President van het Bestuur. Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven. F. M. van der Wulp.
a
BIBLIOTHEKEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING.
BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 JuLis 1873 TOT 31 AUGUSTUS 1874.
BIBLIOTHEEK A.
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Preudhomme de Borre (A.), Y a-t-il des faunes naturelles dis- tinctes à la surface du globe, et quelle méthode doit-on employer pour arriver à les définir et les limiter? Bruxelles, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Dierkunde.
. Everts (Dr. E.), Untersuchungen an Vorticella nebulifera. Leipzig,
1873. 8vo. Mit 1 Taf. (Geschenk van den Schrijver).
Lessona (M.), Calendario zoologico in Piemonte. Torino, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver). Weyenbergh (Dr. H.), De baring der Poecilién. Amsterd., 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Algemeene Entomologie.
Westwood (J. O.), Thesaurus Entomologicus Oxoniensis; or Il- lustrations of new, rare, and interesting Insects, for the most part contained in the collections presented to the University of Oxford bij the Rev. F. W. Hope. With plates from drawings by the Author. Oxford, 1873, 74. 4to. Part I and II.
Weyenbergh (Dr. H.), Varia entomologica. ’s Grav. 1874. 8vo. (De plaat ontbreekt).
—— Ueber ein zweiköpfiges Monstrum (Larve von Chironomus) und über Insecten-Monstra überhaupt. Stettin, 1873. 8vo.
XLII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
8.
©
10.
LL;
13.
14.
15.
16.
17.
18.
Mee
Eenige uit couranten en tijdschriften geknipte en opgeplakte op- stelletjes over toegepaste Entomologie in de Spaansche taal, van Prof. Dr. Weyenbergh (met de beide vorige nommers van den Schrijver ten geschenke ontvangen).
Bijzondere Entomologie. A. Coleoptera.
Jekel (H.), Note sur le genre Pterygomus, nouvelle coupe de Curculionides-Cryptorhynchides du groupe des Sophrorhinides Lacord. Paris, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
—— Coleoptera Jekeliana, adjecta Eleutheratorum Bibliotheca, etc. Paris, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Kraatz (Dr. G.), Die Käfer Europa’s. Nach der Natur beschrie- ben, im Anschluss an die Käfer Europa’s von Dr. H. C. Küster. Nürnberg, 1873. Kl. 8vo. 29stes Heft.
Preudhomme de Borre (A.), Note sur deux Monstruosités obser- vées chez des Coléoptères. Brux. 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Ritsema Cz. (C.), Description of a new African species of the
genus Ischiodontus Cand. (Coleoptera, Fam. Elateridae). Lond. 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
B Lepidoptera.
Vollenhoven (Dr. 8. ©. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen van Nederlandsche Vlinders (vervolg op Sepp, Beschouwing der Wonderen Gods, enz.) ’s Gravenhage, 1874. DI. III, n°. 25—32, Ato. Wallengrèn (H. D. J.), Trenne för Skandinaviens Fauna nya Pyralider. Stockholm, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
C. Hymenoptera.
Ulivi (G.), La Partenogenesi e Semipartenogenesi delle Api. Firenze et Roma, 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
D. Hemiptera.
Signoret (V.), Quelques observations nouvelles sur la Phylloxera vastatrix. Paris, 1870. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Stäl (C.), Formae speciesque novae Reduviidum. Paris, 1862. 8vo. (Geschenk van Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven).
— — Enumeratio Hemipterorum. Bidrag till en Förteckning öfver alla hittills kinda Hemiptera. n°. 3. Stockh, 1872. 4to. (Geschenk van den Schrijver).
25.
28.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIII
E. Neuroptera.
Cabot (L.), The immature State of the Odonata. Prt. I. Subfam. Gomphina. Cambridge, 1872. Gr. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
. Mac-Lachlan (R.), A Catalogue of the Neuropterous Insects of
New Zealand; with Notes and Descriptions of new Forms. London, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
F. Orthoptera.
Thomas (C.), Acrididae of North-America. Washington, 1873. With 1 pl. 4to. (Geschenk van de U. S. Geological Survey of the Territories).
G. Diptera.
. Müller (A.), The Gall-Midge of the Yew (Cecidomyia Taxi Inchb.)
London, 1873. (Geschenk van den Schrijver).
Ritsema Cz. (C.), Versuch einer chronologischen Uebersicht der bisher beschriebenen oder benannten Arten der Gattung Pulex Linn., mit Berücksichtigung ihrer Synonymen. Regensburg , 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
Weyenbergh (Dr. H.), Nederlandsche Diptera in metamorphose en levenswijs. N°. VI. ’s Gravenhage, 1873. Met 1 pl. 8vo. (Geschenk van den Schrijver).
H. Arachnoidea en Myriapoda. Niets bijgekomen.
Palacontologie.
. Leidy (J.), Contributions to the extinet Vertebrate Fauna of
the Western Territories. Washington, 1873. With 37 Plates. 4to. (Geschenk van de U. S. Geological Survey of the Territories).
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen. Tijdschriften.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, pubblicati per cura di G. Doria. Genova, 1870—73. Vol. I—IV. M. pln. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.) Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian In- stitution, Washington, 1871, 72. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. voor Entom.) Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles, publiées par la Soc. Holl. d. Sc. à Harlem. La Haye, 1874. Tome IX, livr. 1-3, 8vo. (Geschenk van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem).
XLIV BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39,
40.
41.
42.
45.
Berichte des Offenbacher Vereins für Naturkunde über seine Thätigkeit. Offenbach am Main (13ter und 14ter), 1873. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1873. 2° ser. 6° vol. (ann. 1870—72). 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin des séances de la Société Entomologique de France. Paris, 1873/74; n°. 3, 11, 13, 20, 23, 24 et 25. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo, 1873/74, vol. I, n°. 2--4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1873, vol. IV, 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1873/74, an V, trim. 2-4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Canadian Entomologist (The). Toronto and London (Ont.), 1869—74, vol. I—V, vol. VI, n°. 1, 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Compte-Rendu des séances de la Société Entomologique de Bel- gique. Brux. 1873/74, n°. 89—100; sér. II, n°. 1 et 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston, 1872, vol. II, prt. II, n°. 2, 3. With plates. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indié, uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Batavia en ’s Gravenhage, 1871, dl. 32. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Newman (E.), The Entomologist. London, 1873/74, vol. VI, n°. 118—124, vol. VII, n°. 125—132. 8vo. (Van dit Tijdschrift ontvingen wij deel V ten geschenke van den heer Fr. Walker). Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston, 1872/73, vol. XIV, p. 225 till the end, vol. XV, prt. 1 and 2. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of London for the year 1872, prt. II and II, for the year 1873, and for the year 1874, prt. I; with the Index for the
years 1861—70. London, 1872—74. 8vo. (In ruil tegen het
Tijdschr. v. Entom.)
Report (Annual) of the Chief Signal-Officer to the Secretary of War for the year 1872. Washington, 1873. 8vo. (Geschenk van de U. S. War Department).
44.
45.
46.
47.
48.
49.
51.
52.
56.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLV
Report (Sixth Annual) of the U. S. Geological Survey of the Territories, etc. by F. V. Hayden. Washington, 1873. 8vo. (Ge- schenk van den Schrijver).
Report of the Commissioner of Patents, Agriculture, for the years 1871 and 72. Washington, 1872/73. 8vo. (In rwil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Schriften der Königlichen physikalisch-ökonomischen Gesellschaft zu Königsberg. Königsberg, 1872, 13ter Jahrg. 2te Abth. 4to. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the American Entomological Society. Philadelphia, 1868/73, vol. II, n°. 3 and 4; vol. IV. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the Entomological Society of New South Wales. Sidney, 1863—73, vol. I and IL. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the New-York State Agricultural Society for the year 1871. Albany, 1872. With plates. 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1873—74. 2de ser., dl. 8, afl. 6; dl. 17, afl. 1—4. Met pl. 8vo.
Verhandlungen der K. K. zoologisch-botanischen Gesellschaft in Wien. Wien, 1873. Bd. XXIII. Mit 10 Tfln. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Verslag van de 28ste Zomervergadering en van de 7de Winterver- gadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, gehou- den te Breda den 7” Junij en te Leiden den 6 December 1873. ’s Gravenhage, 1874. 8vo.
Verslag van den Landbouw in Nederland over de jaren 1871 en 1872. ’s Gravenhage, 1873/74. 8vo. (Geschenk van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken).
Verslag (73ste) van het Natuurkundig Genootschap te Groningen over het jaar 1873, 8vo.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van We- tenschappen, Afd. Natuurkunde. Amsterd. 1873/74. 2de reeks, 7de deel, 2de en 3de stuk; Sste deel, 1ste stuk. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Zeitschrift für die Gesammten Naturwissenschaften. Herausgege- ben von dem Naturw, Vereine für Sachsen und Thüringen in Halle. Redigirt van C. Giebel. Halle und Berlin. 1853—73. Bd. I--X, XII-XVI, XVIII—XX, XXII-XLII. 39 Bde. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Reizen. Niets bijgekomen.
nn
XLVI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
57.
ee, .
Varia.
Catalogus van de Boekerij der Koninklijke Akademie van Weten- schappen. Nieuwe uitgaaf. Amsterd. 1874. 1ste deel, 1ste stuk. 8vo. Estatutos de la Sociedad Entomologica Argentina. Buenos Aires, 1874. KI. 8vo. (Geschenk van Dr. Weyenbergh).
Stal (C.), Carl Henrik Boheman, Professor och Intendent vid Riks museum. (Geschenk van den Schrijver).
Uittreksel uit de Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant van 9 Oct. 1873, betreffende het beschermen van vogels. Weyenbergh (Dr. H.), Die Aufgabe der we Eine Rede. Buenos Aires, 1873. 8vo.
La Tarea de la Zoologica. Discurso inaugural. Buenos Aires, 1873. 8vo. (Met het vorige nommer van Dr. Weyenbergh ten geschenke ontvangen).
BIBLIOTHEEK B:
Natuurlijke Historie in het algemeen.
Niets bijgekomen.
Algemeene Dierkunde.
Niets bijgekomen.
Algemeene Entomologie.
Thomson (C. G.), Opuscula Entomologica. Lund, 1873. Fase.V. 8vo. Gerstaecker (Dr. A.), Die Gliederthier-Fauna des Sansibar-Ge- bietes. Nach dem von Dr. 0. Kersten während der von der Decken’schen Ost-Afrikanischen Expedition im Jahre 1862 und von ©. Cooke auf der Insel Sansibar im Jahre 1864 gesammelten Material. Leipzig und Heidelberg, 1873. Mit 18 Taf. 4to.
Bijzondere Entomologie. A. Coleoptera.
Fauvel (A.), Faune Gallo-Rhénane ou Species des Insectes qui habitent la France, la Belgique, la Hollande, le Luxembourg, la Prusse-Rhénane, le Nassau et le Valais. (Coléoptères). Tom. III, livr. 4. Caen, 1873. 8vo. (Geschenk van den Schrijver). Gemminger (Dr. M.) et B. de Harold, Catalogus Coleopterorum hucusque descriptorum synonymicus et systematicus. Miinchen, 1869—73. Tom. VI— VIII, IX pars 1, X. 8vo
Di
10.
Jet
12.
13.
14.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLVII
Gorham (H. S.), Endomycici Recitati. A Catalogue of the Cole- opterous group Endomycici, with Descriptions of new Species and Notes. London, 1873. With a plate. 8vo.
Harold (E. v.), Coleopterologische Hefte. München, 1870—74. Heft 6—12. 8vo.
B. Lepidoptera. Hewitson (W. C.), Exotic Butterfies, being Illustrations of new Species. London, 1873—74. Part 88—91. With col. pl. 4to. Millière (P.), Iconographie et description de Chenilles et Lépi- doptères inédits. Paris, 1873. Livr. 32 et 33. Av. pl. col. 8vo. Stainton (H. T.), The Natural History of the Tineina. London, Paris and Berlin, 1873. vol. 13. With col. pl. 8vo. (Geschenk van den heer Stainton). Vollenhoven (Dr. 8. C. Snellen van), Beschrijvingen en afbeeldingen van Nederlandsche vlinders. ’s Gravenhage, 1874. DI. II, n°. 25— 32. Met gekl. pl. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschouwing der wonderen Gods.)
C. Hymenoptera.
Marshall (T. A.), A Catalogue of British Hymenoptera; Chrysi- didae, Ichneumonidae, Braconidae and Evaniidae. London, 1872. 8vo.
Thomson (C. G.), Skandinaviens Hymenoptera. Tom. III, fase. 1. (Vespa L.) Lund, 1874. 8vo.
D. Hemiptera.
Giebel (C. G.), Insecta epizoa. Die auf Säugethieren und Vügeln schmarotzenden Insecten, nach Chr. L. Nitzsch’s Nachlass. Leipzig, 1874. M. 20 Tfin. 4to. E Neuroptera. Niets bijgekomen. F. (Orthop tera, Niets bijgekomen. G Diptera. Niets bijgekomen.
H. Arachnoidea en Myriapoda.
Menge (A.), Preussische Spinnen. Danzig. Abtheil. V und VI. Mit Tafeln, 8vo.
Palaeontologie. Niets bijgekomen.
XLVITI BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE
15.
19:
20.
21.
22.
25.
24.
26.
27.
Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde.
Niets bijgekomen.
Tijdschriften.
Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1873, 1874 afl. 1—10. Haarlem, 1873—74. 8vo.
Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1873. T. 16. Av. 3 pl. n. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.) Annales des Sciences Naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris, 1873—74, 5° ser. t. 18, n°. 2—6, t. 19, t. 20, n°. Let 2. Av. pl. 8vo.
. Annals and Magazine of Natural History. Conducted by C. C.
Babington, J. E. Gray, W. S. Dallas and W. Francis. London, 1873—74. 4. ser. Vol. 12, 13, 14 n°. 1 and 2. With pl. 8vo.
Archiv für Naturgeschichte. Gegründet von Wiegmann und fort- gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1871—74. Jahrg. 37 n°. 5 und 6; 38 n°. 5; 39 n°. 2-4; 40 n°. 1 und 2. Mit Tafin. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle de Paris. Paris , 1873—74. Tom. 9, livr. 2—4, Tom. 10, livr. 1. Av. pl. 4to. Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der Entomologie wiihrend des Jahres 1870 von Fr. Brauer, und während der Jahre 1869 und 1870 von Dr. A. Gerstaecker. Berlin, 1873. 8vo.
Berliner Entomologische Zeitschrift, herausgegeben von dem En- tomologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin. 1873—74. 17ter Jahrg. und 18ter Jahrg. Heft 1 und 2. M. Tfin. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou, publié sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1873—74. Ann. 1872, n°. 4, Ann. 1873, n°. 2 et 3. Av. pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Correspondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in Regensburg. Regensburg, 1873—-74. Jahrg. 27, n°. 5—12; Jahrg. 28, n°. 1—3. 8vo.
. Entomologische Zeitung. Herausgegeben von dem Entomologischen
Vereine in Stettin. Stettin, 1873 Jahrg. 34. Mit 2 Tfin. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Entomologist’s (The) Annual for 1874. London, 1874. W. 1 pl. 8vo. (Geschenk van den heer H. T. Stainton).
Entomologist’s (The) monthly Magazine. Conducted by J. W, Douglas, R. M. Lachlan, E. C. Rye and H. T. Stainton. Lond., 1873—74. vol. X. n°. 2—12, vol. XI, n°. 1—3. 8vo.
28.
29.
30.
31.
5d.
54.
35.
36.
37.
38.
39.
ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. XLIX
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1872—73. T. IX, X. n°. 1. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.) Jaarboekje v. het Kon. Zool. Genootschap „Natura Artis Magistra”. Amst. 1874. M. pl. 8vo.
Journal of the Proceedings of the Linnean Society of London. (Zoology). Lond. 1872—73. vol. XI, n°.55 and 56. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schafhausen, 1873—74. Vol. IV. Heft n°. 2—4. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.) Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée, sous la direc- tion de M. F. E. Guérin-Méneville. Paris, 1873—74. 3me sér., t. I, n°. 7—12; t. II, n°. 1—6. Av. pl. 8vo.
Transactions of the Entomological Society of London for 1873 and for 1874 prt. 1 and 2. Lond. 1873—74. With pl. 8vo. (In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.)
Transactions of the Linnean Society of London. Lond. 1871—74. vol. 27, 28, 29 prt. 1 and 2, 30 prt. 1. W. pl. and also the Index to vol. I-XXV. 8vo.
Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche Entomologische Vereeniging. ’s Gravenhage, 1873—74. 2de Serie. dl. 8, aflev. 5 en 6, dl. XVII. aflev. 1—4. M. gekl. pl. 8vo. Verhandlungen des Naturhistorischen Vereines der preussischen Rheinlande und Westphalens. Bonn, 1872—73. Jahrg. 29 und 30. M. Tafin. 8vo.
Verslagen der beide in 1873 door de Nederl. Entom. Vereeniging gehouden Vergaderingen.
Zoological (The) Record for 1871 and 1872, being volume VIII and IX of the Record of Zoological Literature, edited by A. Newton. Lond. 1873 and 74. 8vo. |
Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History, conduct. by E. Newman. Lond. 1873—74. Sec. series. n°. 94—107. 8vo.
Reizen. Niets bijgekomen.
Varia. Niets bijgekomen.
ENTOMOLOGISCHE INHOUD
VAN
ONTVANGEN TIDSCHRTE TEN:
Julij 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 118 (July 1873) (a). !)
Variety of Epinephele Hyperanthus (female), with illustrations, by Edw. Newman. — Economy of Chalcidiae, by Fr. Walker (con- tinued). — Life-History of Thecla W-Album, by Edw. Newman. — Larva of Hesperia Actacon, by Th. Parmiter. — Description of the Larva of Hesperia Actaeon? by Edw. Newman. — Early History of Agrotis Ashworthii, by C. S. Gregson. — Description of the Larva of Euchromia purpurana, by C. S. Gregson. — Description of the Larva of Depressaria rotundella, by C. S. Gregson. — Des- cription of the Larva of Platyptilus gonodactylus, by C. S. Gregson. — Voorts: Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 110 (July 1873) (0).
On certain British Hemiptera Homoptera (Revision of the Bythosco- pidae), continued, by J. Scott. — Description of two new genera and three new species of Anthribidae from New Zealand, by D. Sharp. — On a genus of the Byrrhidae from Japan, by T. Vernon Wollaston. —- Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett (continued). — Voorts vele kleine entomologische aanteekeningen. — Review: Les Papillons diurnes de Belgique; Manuel du jeune lépidopterologiste. Par Louis Quaedvlieg. Bruxelles, Paris et Berlin, 1873. 12mo. — Notes on Heleromera, and Descriptions of new genera and species (n°. 9), by F. Bates.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 94 (July 1873) (0). A Visit to Corsica, by F. A. Walker (concluded).
Annals and Magazine of Natural History. 4th series, vol. 12 n°. 67 (July 1873) (0).
A Catalogue of the Neuropterous Insects of New Zealand; with Notes and Descriptions of new Forms, by R. M° Lachlan, —
1) (a) duidt aan dat het werk tot de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent. Vereeniging, (2) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort,
ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ. LI
Descriptions of new Species of Fossorial Hymenoptera in the Collection of the British Museum, by F. Smith (continued). — On Nephropsis Slewarti, a new Genus and Species of Macrurous Crustaceans, dredged in deep water off the Eastern Coast of the Andaman Islands, by James Wood-Mason. — On the Occurrence of Ligidium agile in Belgium, by F. Plateau. Revue et Magasin de Zoologie, 1873. n°. 7 (b). Monographie des espèces de Coleoptères du genre Erodius, par M. Allard (suite). Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereins in Regensburg. 27ster Jahrg. 1873. n°. 5—6. (b). Enoicyla pusilla Burm., ihre Lebensweise und Fundorten, von C. Ritsema. Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 37ster Jahrg. 5 tes Heft. (0). Bericht über die Leistungen in der Naturgeschichte der Insekten während des Jahres 1870, von F. Brauer. — Bericht über die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der Myriapoden, Arach- niden und Crustaceen während d. J. 1869-1870, von A. Gerst- aecker.
Augustus 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 119 (Aug. 1873) (a).
Variety of Epinephele Tithonus (with illustration) bij E. Newman. — Economy of Chalcidiae, by F. Walker (continued). — Notes on Southern Indian Lepidoptera, by W. Watkins. — On the Habits of certain Gall-insects of the Genus Cynips, by H. F. Bassett. — Forest Collecting in April, by C. S. Gregson. — Description of the Larva of Depressaria Douglasella, by C. S. Gregson. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 111 (August 1873) (0).
Notes on Heleromera, and descriptions of new genera and species (n°. 9, continued), by F. Bates. — Descriptions of three new species of water-beetles from Central-America, by D. Sharp. — Notes on Japanese Coccinellidae, by G. Lewis. — Description of a new species of Brañhmuaea, in the collection of the British Museum, by A. G. Butler. — Descriptions of three new species of Rhopa- locera from Angola, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new species of African Lepidoptera (continued), by Chr. Ward. — Notes on Corira, by F. Buchanan White. -- British Hemiptera , an additional genus and species, by J. Scott. — Notes on British Tortrices (continued), by C. G. Barrett. — A species of Harpalus new to Britain, by T. Blackburn. — Note on habits of ¢ Drilus, by G. Lewis. — Capture in Northumberland of a Saw-fly new to Britain, by T. J. Bold. — Occurrence of Poecilosoma pulverata
LTI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Retz., a saw-fly new to Britain, by P. Cameron. — Lithosia stramineola and griseola proved to be only varieties of one species, by J. Hellins. — Capture of Ophiodes lunaris near Lewes, by J. H. A. Jenner. — Description of the larva of Limacodes asellus, by W. Buckler. — Description of the larva of Ephyra pendularia , by G. T. Porritt. — Proceedings of the Entomological Society of London.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 39ster Jahrg. 2 tes Heft. (0).
Die Cetoniden der Philippinischen Inseln, beschrieben von Dr. 0. Mohnike. (Schluss). — Von den Sinnesorganen der Insecten im Allgemeinen , von Gehör- und Geruchsorganen im Besondern, von Dr. A. Paasch.
Newman’s Zoologist. Sec. Series. n°. 95 (August 1873) (0).
Proceedings of the Entomological Society. June 2 and July 7, 1873.
Annals and Magazine of Natural - Ho: Ath. ser. vol. 12. n°. 68 (August 1873) (0).
A Sphaeromid from Australia, and Areturidae from South Africa, by Th. R. R. Stebbing. — Descriptions of New Species of Fos- sorial Hymenoptera in the Collection of the British Museum, by F. Smith (continued). — Answer to Dr. Stoliezka’s ,, Notes on the Indian Species of Thelyphonus”, by A G. Butler. — A Mono- graphie Revision of the Genus Phrynus, with Descriptions of four remarkable new Species, by A. G. Butler. — Contributions to the Study of the Entomostraca, by G. S. Brady and D. Robertson (n°. 8. On Marine Copepoda taken in the West of Ire- land. — On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — On the Appearance of Danais Archippus in Australia, by F M’Caj. — The Megalops Stage of Ocypoda, by S. J. Smith.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873. n°. 8 (0).
Description de nouveaux genres et de nouvelles espèces de Coléo- ptères Lamellicornes, par le Dr. Sharp (suite). — Hyménoptères nouveaux du bassin méditerranéen, par le Dr. Dours (suite).
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Ann. 5, trim. IL (a).
Influenza del calore asciutto sullo sviluppo di alcune crisalidi, del V. Ghiliani. — Contribuzioni alla Fauna imenotterologiea italiana, del G. Giovanni. — Materiali per la Fauna entomologica dell’isola di Sardegna. Coleotteri (continuazione), del B. Piero. — Rassegna entomologica, del B. Flaminio. — Diagnosi di Coleotteri nuovi italiani, del C. A. Dohrn. — Sopra una nuova specie di Lepi- dotteri dannosi alla coltivazione del Cotone in Egitto, del Prof, A. Targioni-Tozzetti.
September 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 120 (Sept. 1873) (a).
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIIT
The Elephants Louse, by E. Newman. — Economy of Chaleidiae, by F. Walker. — Notes on Southern Indian Lepidoptera, by W. Watkins. — Captures in the New Forest in 1873, from June 23 to July 21, including ten days at Freshwater, Isle ot Wight, by W. H. Tugwell. — Description of the Larva of Litho- sta quadra, by B. Lockyer. — Description of the Larva of Depressaria Yeatiana F., by ©. S. Gregson. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 112 (Sept. 1873) (b).
Description of a new species of Dromius from England, by E. C. Rye. — Description of a new species of the Coleopterous genus’ Anoplognathus, by C. O. Waterhouse. — Notes on Coriwa (con- cluded), by F. Buchanan White. — On certain British Hemiptera- Homoptera (Revision of the Bythoscopidae) continued, by J. Scott. — Vele kleine aanteekeningen. — Notes on British Tortrices, continued, by C. G. Barrett.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 12. n°. 69 (Sept. 1873) (0).
On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — List of Lepidoptera in a small Collection sent from Peru by Mr. Whitely, with Descriptions of the new Species, by A. G. Butler. — Additions to the Australian Curculionidae. Part V, by F. P. Pascoe. — Descriptions of New Species of Fossorial Hymenoptera in the Collection of the British Museum, and of a Species of the rare Genus Iswara belonging to the family Dorylidae, by F. Smith.
Journal of the Linnean Society. Zoology. vol. XI n°. 55 en 56 (0).
Note on a Chinese Artichoke-Gall (mentioned and figured in Dr. Hance’s paper „On Silkworm-Oaks”) allied to the European Artichoke-Gall of Aphilothria gemmae L., by A. Müller. — On the Geographical Distribution of the Diurnal Lepidoptera as com- pared with that of the Birds, by W. F. Kirby. — Contributions towards the Knowledge of the Curculionidae, Part III, by F. Pascoe. — Descriptions of Buprestidae collected in Japan by G. Lewis, by E. Saunders. — On some new species of European Spiders, by O. P. Cambridge.
Mittheilungen der schweizerischen entomologischen Gesellschaft. Vol. IV Heft ims. 2 (0): Noctuinen-Fauna der Schweiz, von J. Wullschlegel (Fortsetzung). Revue et Magasin de Zoologie, 1873 n°. 9 (0). Coléoptères du Nord de l’Afrique, par M. M. L. Fairmaire et Raffray.
October 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 121 and 122 (Oct. 1873) (a). On the Brain and a Portion of the Nervous System of Pediculus
LIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Capitis, by J. S. Bowerbank. — Variety of Melitaea Euphrosyne, by Edw. Newman. — Notes on the Mymaridae, by Fr. Walker. — On Aphides and Honeydew, by Fr. Walker. — Aspect on the underside of the Oak-leaf, July 22, by Fr. Walker. — Note on the Appearance of Aphis Nymphaeue and of its Aphidius in the Middle of August, by Fr. Walker. — On Parasitism of
Chaleidiae, by Fr. Walker. — Notes on Southern-Indian Lepi- doptera, by W. Watkins (continued). — Life History of Dasy- polia Templi, by. C. S. Gregson. — Description of the Larva of Deiopeia pulchella, by W. Watkins. — Description of the Larva of Oecophora pseudospretella, by C. 8. Gregson. — Description of the Larva of Leioptilus Lienigianus, by the same. — Entomological
Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 113 (Oct. 1873) (6).
Notes on British Tortrices (continued) by C. G. Barrett. — Natural History of British species of Deltoid Lepidoptera of the genus Herminia , by Buckler and Hellins. — Descriptions of new species of exotic Rhopalocera, by R. P. Murray. Description of three new Continental and one British species of Liburnia, by John Scott. — Oniscigaster Wakefieldi, a new genus and species of Ephemeridae from New Zealand (with a woodcut), by R. Mae Lachlan. — Description of a new species of Lucanidae, by C. O. Waterhouse. — Verder vele kleine aanteekeningen.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. XII, n°. 70 (Oct. 1873) (0).
Additions to the Australian Curculionidae. Part V, by Fr. P. Pascoe. — Descriptions of new species of Fossorial Hymenoptera in the col- lection of the British Museum, by Fr. Smith. — On the Amount of substance-waste undergone by Insects in the Pupal state, with Remarks on Papilio Ajax, by Raph. Meldola. — On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — On Rhopalo- rhynchus Kröyeri, a new Genus and Species of Pyenogonida, by James Wood-Mason. — Note on certain species of Phasmidae hitherto referred to the Genus Bacillus, by the same.
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Anno V. Trim. 3 (a).
Degli insetti nocivi e dei loro parassiti enumerazione con note, del
Prof. C. Rondani. — Comunicazione preventiva sopra i Neurotteri (Odonati) del Modenese, del Prof. A. Spagnolini. — Escursioni
fatte sul monte Pellegrino presso Palermo, da E. Ragusa. — Escursioni entomologiche al Bosco della Ficuzza e nei prossimi ex-feudi Marraccia, Catagnano e Rao (Sicilia) fatte da G. P. Marott. — Materiali por la Fauna entomologica dell’ isola di Sardegna. Coleotteri (continuazione) ordinati da P. Bargagli.
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LV
Nouvelles Archives du Muséum d’histoire naturelle de Paris. tom. IX. 3° fase. (0). Recherches sur la faune carcinologique de la Nouvelle-Calédonie , par A. Milne-Edwards.
Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova, vol. I, II & III (a). Gli Opilionidi italiani, memoria di G. Canestrini. — Aphididae Liguriae,
auctore P. M. Ferrari. — Formicidae Borneenses collectae a J. Doria et O. Beccari in territoria Sarawak annis 1865—1867, descriptae a G. Mayr. — Note sopra alcuni Coleotteri appartenenti
alle collezioni del Museo Civico di Genova, per il Dre R. Gestro. — Nuove specie italiane del genere Adelops, per L. Fairmaire. — Species Aphididarum hucusque in Liguria lectas P. M. Ferrari enumerat.
November 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 123 (Nov. 1873) (a).
Capture of the King Crab (Limulus Polyphemus) off the Coast of Holland; with brief Notice of its Characters (with illustrations), by Edw. Newman. — Notes on the Oxvyura. Family I. Platygas- tridae (with illustrations), by F. Walker. — Notes on Southern Indian Lepidoptera, by W. Watkins. — Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 114 (Nov. 1873) (0).
Note on the Lepidopterous Fauna of St. Vincente, with Descrip- tion of a new species of Gelechia, by Prof. Weyenbergh, Ph. D. — Description of nine new species of Lycaenidae from the West Coast of Africa, by W. C. Hewitson. — Description of a new Japanese species of Lycaena, and change of name of L. cassioides Murray, by R. P. Murray. — On certain British Hemiptera- Homoptera (Revision of the Bythoscopulae), by J. Scott. — Notes on Anisotomidae, with description of three new species (two from Japan, and one from Great-Britain) n°. 1, by E. C. Rye. — Description of a new species of Liosomus from Great Britain, by the same. — Entomological Notes, etc. — Notes on British Tortrices, by G. C. Barrett.
Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 12, n°. 71 (Nov. 1873) (0).
On the Longicorn Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — Des- criptions of new species of Fossorial Hymenoptera in the Collec- tion of the British Museum, by F. Smith. — On the Respiratory Organs of the Araneida, by P. Berthan. — Migrations of Danais Archippus, by G. Semper. — On the Zoological Position and Function of the Parasitic Acarina called Hypopus, by M. Mégnin.
LVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereins in Regensburg, 27ter Jahrg. 1873. 980): i Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel.
D'ecember 1873.
Newman’s Entomologist, n°. 124 (Dec. 1873) (a). Controlling Sex in Butterflies, by Chas. V. Riley. — Entomological Notes, Captures ,. ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 115 (Dec. 1873) (0).
Description of six new Species of Epitola from the West-Coast of Africa, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new Species of African Diurnal Lepidoptera, by Chr. Ward (continued). — The Lepidoptera of Ireland, by E. Birchall, containing a List of Species observed in Ireland since publication of list in the Ent. Mo. Mag. vol. III (1866). — Description of a new Species óf Silis from Angola, by Ch. O. Waterhouse. — Entomological Notes, Captures, ete. — Description of a second Species of Aphanocephalus Woll. from Japan, by E. C. Rye. — On new Coleoptera from Japan, by T. Vernon Wollaston.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. XII, n°. 72 (Dec. 1873) (0).
Descriptions of new Genera and Species of Heteromera, chiefly from New Zealand and New Caledonia, together with a Revision of the Genus Hypaulax and a Description of an allied new Genus from Colombia, by F. Bates.
Album der Natuur, Jaarg. 1874. aflev. 1 (0). Dierlijke vermomming, door P. Harting.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel, 37ster Jahrg. 6 tes Heft. (4).
Bericht iiber die wissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der My-
riapoden, Arachniden und Crustaceen wiihrend des Jahres 1869— 1870, von A. Gerstaecker (Fortsetzung).
Coleopterologische Hefte, von E. von Harold. Heft VI—XI. (0). Zweite Nachlese zu den Käfern von Tirol, von V. Gredler. — Die Arten der Gattung Euparia, von E. von Harold. — Ueber den Gattungsnamen Trachys, von Dr. G. Kraatz. — Bemerkungen zur Nomenclatur der Elateriden, von H. von Kiesenwetter. — Ueber Nomenclatur, von E. von Harold. — Die Gattungen der Coleo- pteren, von G. R. Croteh (übersetzt von E. von Harold). — Beiträge zur Familie der Tenebrioniden, von Dr. Haag-Rutenberg. — Die Arten der Gattung Ammoecius, von E. von Harold. — Bei- träge zur Familie der Tenebrioniden , von Dr. Haag-Rutenberg (IItes Stück). — Diagnosen neuer Coprophagen, von E. von Harold, —
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN, LVII
Verzeichniss der von Dr. Beccari in Bogos gesammelten copro- phagen Lamellicornién , von E. von Harold. — Beiträge zur Familie der Tenebrioniden , von Dr. Haag-Rutenberg (IItes Stück). — Dia- gnosen neuer Coprophagen, von E. von Harold. — Monographie der Gattung Trox, von E. von Harold. — Description of a new Aphodius, by J. L. Leconte. — Memorandum zu den Coleoptera Caffrariae: Longicornia, von Ol. Im. Fähraeus. — Einige Bemer- kungen zu dem Aufsatze: über Nomenclatur, von H. von Kiesen- wetter. — Beiträge zur Familie der Tenebrioniden, von Dr. Haag- Rutenberg (Schluss). — Dritte Nachlese zu den Käfern von Tirol, von V. Gredler. — Bemerkungen zur Nomenclatur der Dytiseidae, von H. von Kiesenwetter. — Ueber Geotrupes stercorarins und die nächstverwandten Arten, von E. von Harold. — Diagnosen neuer Coprophagen, von E. von Harold.
Schriften der Königl. phys.-ökon. Gesellschaft zu Königsberg, 13ter Jahrg. 2te Abth. (a). Ueber die Raupe und Puppe der Argynnis Laodice, von G. Kiinow (mit einer Tafel).
Proceedings of the Scientific. Meetings of the Zoological Society of London for the year 1872, prt. II & II (a).
Descriptions of new Indian Lepidoptera, by F. Moore. — Descrip-
tions of twenty-four new Species of Erigone, by O. P. Cambridge. —
On Platypsyllidae, a new Family of Coleoptera, by J. L. Leconte.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1872, n°. 4 (0). Enumeration der in den russischen Gouvernements Kiew und Vol- hynién bisher aufgefundenen Käfer, von J. H. Hochhuth.
Mittheilungen der schweizer. entom. Gesellschaft, Vol. IV. Heft n°. 3 (4).
Noctuinen-Fauna der Schweiz, von J. Wullschlegel (Fortsetzung). —
Observations sur les notes synonymiques ete. de M. Desbrochers
des Loges, par H. Tournier. — Entomologische Beobachtungen
. und Notizen, von J. Erné. — Neue schweizerische Microlepidopte- ren, von H. Frey.
Stettiner Entomologische Zeitung, 34ter Jahrg. 1873. (0).
Die Larven von Ascalaphus, von Dr. H. Hagen. — Coleopterologisches , von J. Sahlberg. — Exotisches, von C. A. Dohrn. — Vier neue deutsche Staphilinen, beschrieben von Dr. E. Eppelsheim. — Allantus consobrinus Klug var. Zwickoviensis m., von D. H. R.
von Schlechtendal. — Lepidopterologisches, von F. Eppelsheim. — Gelechia Kiesenwetteri n. sp., beschrieben von W. Heuäcker. — Lepidopterologische Notizen, von W. Heuäcker. — Ueber das
Ausfüttern der Insecten-Kästen, von H. B. Möschler. — Beobach- tungen über einige Lepidopteren, von A. Fuchs. — Autheraea
LVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Gueinzü, eine alte Saturnide aus Natal, von P. Maassen. —
Lepidopterologisches, von A. Dihrik. — Sammelbericht, von Dr. H. Beuthin. — Lepidopterologische Beobachtungen vom Jahre
1872, von P. C. Zeller. — Erwiderung des Professor Schenck. — Synonymische Miscellaneen , von Dr. Suffrian. — Ueber den Fundort von Anthidium curvipes Imhoff, von A. Müller. — Lepidopterolo- gische Mittheilungen aus Nord-Finnland, von J. G. Schilde. — Acridiodea nonnulla nova insigniora, deseripsit A. Gerstaecker. — Ueber Morphiden, von H. B. Möschler. — Nordamerikanische Tineen, von Prof. H. Frey und J. Boll. — Ueber die entomolo- gischen Arbeiten Hans Ström’s, von Dr. H. Hagen. — Ein Aus- flug nach dem Altvater-Gebirge, von J. P. E. Frdr. Stein. — Lepidopterologische Notizen, von W. Heuäcker. — Acalles Sophiae., n. sp. Tschapeck. — Die Larven von Myrmeleon, von Dr. H. Hagen. — Chilenische Insekten, beschrieben von Dr. R. A. Phi- lippi. — Randglossen zu einigen Arten der Gattung Julodis Eschsch. von C. A. Dohrn. — Exotisches, von C. A. Dohrn. — Dolichopoden aus Mecklenburg, beschrieben von Direet. Raddatz. — Bemer- kungen über einige Hummelarten, von Dr. Kriechbaumer. — Eine neue Plutella, von Dr. Steudel. — Zur Naturgeschichte einiger Eupitheeien, von A. Fuchs. — Uebersicht der europäischen Arten des Genus Ichneumon (Wesmael) mit Angabe der bei Birkenfeld vorkommenden und Beschreibung neuer Arten, von Tischbein. — Lepidopterologische Notizen, von Dr. A. Speyer. — Ist die Ue- berwinterung gewisser .Raupen-Arten zu deren Entwicklung noth- wendig ?, von Dr. Kalender. — Protest, von C. A. Dohrn. — Eine Völkerwanderung der Libellula quadrimaculata, von A. Kuwert. — Lamellicornia Argentina, von H. Burmeister. — Neuropterolo- gisches, von R. Mac-Lachlan. — Ueber ein zweiköpfiges Monstrum (Larve von Chironomus) und über Inseeten-Monstra überhaupt, von H. Weyenbergh. — Verzeichniss der Ende 1873 in der Bibli- othek des Stettiner entom. Vereins vorhandenen Bücher. Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution, for the year 1871 (a). Alternate Generation and Parthenogenesis in the Animal Kingdom, by Dr. G. A. Kornhuber. Report of the Commissioner of Agriculture, for the year 1871 (a). Report of the Entomologist and Curator of the Museum, Townend Glover. Monthly Reports of the Department of Agriculture, for the year 1872 (a). Bevat verschillende Entomologische Verslagen.
Januarij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 125 (Jan. 1874) (a). Descriptions of Oak-galls, translated by Miss A. Weise. — Notes
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LIX
on the Oxyura. Family 2. Scelionidae, by Fr. Walker. — A List of Macro-Lepidoptera taken in Alderney, by W. A. Luff. — Three Notes on Aphides, by Fr. Walker. -- Entomological Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 116 (Jan. 1874) (6).
Notes on Coleoptera common to Europe and Japan, by G. Lewis. — Descriptions of three new Species of Scarabaeidae from Australia and Japan, by Ch. O. Waterhouse. — Description of a second species of Cathormiocerus from Great Britain, by E. C. Rye. — Entomological Notes, Captures, ete. — The local Entomological Societies in London. — Remarks on some of the Hemiptera enu- merated by Herr Thomson in the 4th Fasciculus of his , Opuscula Entomologica, by J. W. Douglas. — On certain British Hemiptera- Homoptera, by J. Scott (continued).
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 78 (Jan. 1874) (b).
Descriptions of New Genera and Species of Heteromera, chiefly from New Zealand and New Caledonia, together with a Revision of the Genus Hypaulax and a Description of an allied New Genus from Colombia, by F. Bates. — On the Sterile Eggs of Bees, by C. Claus and C. von Siebold. — The Parasitie Mites of Birds, a Contribution to the Knowledge of the Sarcoptidae, by E. Ehlers.
Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n°“. 10 et 11 (0). Nouvelles espèces de Coléoptères du nord de l'Afrique, par M. M. Fairmaire et Raffray. — Description d’un nouveau genre de Goliathide, Westwoodia Howittii, par M. F. de Castelnau.
Album der Natuur, 1874, aflev. 2 (b). Merkwaardige nesten, door Dr. P. Schuringa. — Myriapoden der steenkolen-periode.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 39ster Jahrg. 3tes Heft (0). Von den Sinnesorganen der Insecten im Allgemeinen, von Gehör- und Geruchsorganen im Besonderen, von Dr. A. Paasch (Schluss).
Februarij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 126 (Febr. 1874) (a).
Notes on the Oxyura. Family 3. Ceraphronidae, 4. Diapridae, 5. Belytidae, 6. Proctotrupidae, 7. Heloridae, 8. Embolemidae, 9. Bethylidae, 10. Dryinidae, by Fr. Walker. — Notes on the Wing- bones of the Two-winged Flies, by Fr. Walker. — Additions to the List of Macro-Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, by W. A. Luff. — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 117 (Febr. 1874) (b). Notes on the Development of Volucella bombylans, parasitical in
LX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
the nests of Carder-bees; with Observations on the Development of the tubular head-appendages of its pupa, by Miss E. A. Ormerod. — On new Coleoptera from Japan (concluded), by T. V. Wollas- ton. — Description of a new species of Isonychus (Fam. Melolon- thidae) from Granada, by C. O. Waterhouse. — Description of a new genus and species of Satyridian butterflies , by A. G. Butler. — Description of four new African butterflies, by W. C. Hewitson. — Description of a new genus and two new species of European Oxyura, by T. A. Marshall. — Entomological Notes, Captures, etc.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 101 (Febr. 1874) (0). On the Occurrence of Limulus Polyphemus off the Coast of Holland, and on the Transmission of Aquarium-Animals, by W. A. Lloyd.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 74 (Febr. 1874) (0).
The Geographical Relations of the New-Zealand Fauna, by F. W. Hutton. — Descriptions of New Genera and Species of Heteromera, chiefly from New Zealand and New Caledonia, together with a Revision of the Genus Hypaulax and a Description of an allied New Genus from Colombia, by F. Bates. — On some recent Remarks by Mr. Meldola upon Iphiclides Ajax (Papilio Ajax auct.), by S. H. Scudder.
Album der Natuur, 1874. 3de afl. (0).
Een blinde kreeft.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, 27ster Jahrg. 1873, n°. 10-11 (b).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel. Revue et Magasin de Zoologie, 1873, n°. 12 (0).
Aberration de la Vanessa Urticae, Aber. Atrebatensis, par M. le Dr. Boisduval. — Enumération des Staphylinides recueillis en Asie mineure, par M. Th. Deyrolle, et descriptions d’especes nouvelles, par M. le Dr. Sharp.
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 40ster Jahrg. istes Heft. (b). Beitrag zur Kenntniss einiger Insektenlarven, von Dr. W. Rolph. — Mutillarum Americae meridionalis indigenarum synopsis systematica
et synonymica, auctore A. Gerstaecker.
Maart 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 127 (March 1874) (a).
Variety of Argynnis Adippe (with illustrations) by Edw. Newman. — Descriptions of Oakgalls (with illustrations), by Miss A. Weise. — The Naturalist in Nicaragua, by Th. Belt. — List of Lepi- doptera forwarded to Edw. Newman, by G. F. Mathew. — Cap-
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXI
tures of Hymenoptera in 1873, by Fr. Smith. — Entomological Notes, Captures, etc. Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 118 (March 1874) (0). Natural History of Lithosia quadra, by W. Buckler. — Descriptions of two species of Tenthredinidae, new to science, from Scotland, by P. Cameron Jun. — Description of a new European species of Bethylides (Hymenoptera: Oxyura), by T. A. Marshall. — Description of a new African species of the genus Ischiodontus Cand. (Coleoptera: Fam. Elateridae) by ©. Ritsema. — Description of a new species of Heliconia from central America, by W. C. Hewitson. — Descriptions of new species of Coleoptera from Japan, by H. S. Gorham. — Description of a new species of Buridius (Coleoptera: Rhyncophora) from Singapore, which destroys Orchids, by C. O. Waterhouse. — Notes on some Odonata, etc. in the Collection of the Royal Dublin Society, by R. Mac-Lachlan. — Note on Pulex obtusiceps Ritsema, by T. J. Bold. — Entomo- logical Notes, Captures, etc. — On certain British Hemiptera- Homoptera (Revision of the Bylhoscopidae: concluded), by J. Scott. Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 75 (March 1874) (0). On the Geodephagous Coleoptera of New-Zealand, by H. W. Bates. Album der Natuur, 1874. 4de aflev. (0). Lichtorganen van Pyrophorus noctilucus. — Zoogenaamde nesten van bladluizen, door Snellen v. Vollenhoven.
Bullettino della Società Entomologica Italiana, Anno V. Trim. 3 (a). Degli Insetti nocivi e dei loro parassiti enumerazione con note del
Prof. Camillo Rondani (continuazione). — Di un nuovo Georyssus e Calomicrus trovati in Sicilia, da Enrico Ragusa. — Note sino-
nimiche, di Enrico Ragusa. — Ancora della Thalessa clavata e di un altro imenottero nuova per la Fauna entomologica del Piemonte, nota del Cav. Vittore Ghiliani. — Materiali per la Fauna ento- mologica dell’isola di Sardegna. Coleotteri ordinati da P. Bargagli (continuazione e fine). — Di alcuni Neurotteri (Libellula Lin. et auct., Odonati Fab.) dei dentorni di Padova raccolti ed ordinati da C. Tacchetti. — Sul Trimium siculum nov. sp. di De Saulcy, nota di E. Ragusa. — Elenco dei Lepidotteri raccolti nei dintorni della IV Cantiniera dello Stelvio, nota dell’Ingegnere A. Curò. — Nuove osservazioni sulla partenogenesi del Bombyx mori Lin. di C. de Siebold. — Rassegna. Coleotteri. Revisione del genere Timarca di L. Fairmaire ed. E. Allard.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, 27ster Jahrg. 1873, n°. 12 (0).
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der
nächsten Umgebung vorkommen (Fortzetzung), von G. Kittel.
LXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 1 et 2 (0). Monographie des Agaristidées (Lépidoptères), par le Dr. Boisduval.
April 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 128 (April 1874) (a). Descriptions of Oak-galls, translated by Miss Weise. — Geographical Distribution of Continental Rhopalocera, by the Rev. F. A. Walker. — Entomological Notes, Captures, ete. — Extracts from the Pro- ceedings of the Entomological Society of London, Jan. 5 to Febr. 3, 1874.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 119. (April 1874) (0).
Notes on certain species of the genus Orthostira Fieb., with reference to Mr. Douglas’s remarks, by J. Sahlberg. — Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett. — Description of a new species of Charaxes from the West Coast of Africa, by W. C. Hewitson. — Occurrences of Diurnal Lepidoptera at Galena, Illinois, 1871-1873, by Th. E. Bean. — Entomological Notes, Captures, ete. — New species of Cicindelidae, by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 76 (April 1874) (0).
On the Geodephagous Coleoptera of New Zealand, by H. W. Bates. — On a new Species of Arcturus (A. damnoniensis), by Th. R. R. Stebbing. — A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema and Euglossa, belonging to the family Apidae, section Scopulipedes , by Fr. Smith.
Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 3 (0).
Description et figures de deux espèces nouvelles du genre Anthidium
F., provenant de l’Archipel des Indes-Orientales, par C. Ritsema. Berliner Entomologische Zeitschrift, 17ter Jahrg. (1873) 1stes und 2tes Vierteljahrsheft. (0)
Revision der Cisteliden-Gattung Podonta Muls., von H. von Kiesen- wetter. — Bemerkungen zur Bearbeitung der Luperus-Arten in der Monographie des Gallérucides von Joannis in Marseul’s Abeille, T. III. Ann. 1866. p. 1 flg., von H. von Kiesenwetter. — Zwei neue Aphyctus-Arten, von H. von Kiesenwetter. — Diptera nova, in Pannonià inferiori et in confinibus Daciae regionibus a F. Ko- warzio capta. Descripsit H. Loew. — Essai monographique sur le genre Cymindis proprement dit, par le Baron M. de Chaudoir. — Beiträge zur Kenntniss der Peruanischen Käferfauna auf Dr. Abend- roth’s Sammlungen basirt, von Th. Kirsch. — Melitaea Melicerta (var. nova) ein muthmasslicher Bastard von Afhalia Rott. u. Dictynna Esp. aus der Umgegend Berlin’s, von Julius Pfützner. — Zur Nomenclatur der Cryptocephaliden, von E. von Harold. — Deutungen einiger Käferarten 1817 beschrieben in Beck's Beiträgen
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXITI
zur baierischen Insekten-Fauna, von Dr. G. Kraatz. — Revision der europäischen Arten der Coccinelliden-Gattung Exochomus Redtb., von Dr. G. Kraatz. — Eine neue deutsche Exochomus-Art (E. minutus), von Dr. G. Kraatz. — Ueber Uloma Perroudi Muls. aus Deutschland und eine neue Art von Cypern, von demselb. — Eine neue Laufkäferart aus Thüringen (Ophonus planiusculus), von demselb. — Ueber Adimonia fontinalis Boh. Thomson, und Ueber Adimonia pallida Joannis; von demselb. — Ueber Cyphon nigriceps Thomson, Kiesenwetter, von demselb. — Aylolaemus fasciculosus Gyll., von demselb. — Ueber Xylosteus gracilis nov. sp., von demselb. — Zwei neue Coleopteren aus Schlesiën, von von Rottenberg. — Eine entomologische Exkursion durch die Grafschaft Glatz und in das Riesengebirge, von W. Koltze. — Sammelbe- richte von Kellner, Kirsch und Kraatz. — Ueber den Fang des Phloeophilus Edwardsii. — Synonymische Bemerkungen, von Kraatz, Kirsch , Kellner und von Rottenberg. — Neue Literatur. -— Ueber den für Deutschland neuen Hydaticus piciventris Thoms., von Dr. G. Kraatz. — Entomologische Beiträge zur Beurtheilung der Darwin’schen Lehre von der Entstehung der Arten, von H. von Kiesenwetter. — Alexis Fedtschenko. Ein Nachruf von G. Lohde. — Eine neue Art Trichodes Herbst, nebst Bemerkungen über einige früher beschriebene, von Dr. G. Kraatz.
Annali del Museo Civico di Storia Naturale di Genova, vol. IV (a).
Catalogo sistematico dei Ragni del Canton Ticino, con la loro Dis- tribuzione orizzontale e verticale e cenni sull’ Araneologia elvetica, pel Dott. P. Pavesi. — Notes sur les genres Morio et Perigona, par M. J. Putzeys. — Catalogo dei Dascillidi, Malacodermi e Teredili della Fauna europea e circummediterranea, appartenenti alle collezioni del Museo Civico di Genova, per F. Baudi. — Muscaria exotiea Musei Civici Januensis observata et distineta a Prof. C. Rondani. — Viaggio dei Sign. Antinori, Beccari e Issel nel Mar Rosso e tra i Bogos. Crostacei I. Intorno ad alcuni Cirripedi raccolti nel Mar Rosso. Nota del Prof. G. Seguenza. — Révision des Broscides de l’Australie d’après la collection de M.
. le Comte de Castelnau, par M. J. Putzeys. — Sopra una nuova specie di Ragni (Nesticus speluncarum) appartenente alle collezioni del Museo Civico di Genova. Nota del Prof. P. Pavesi. — Note sopra alcuni Coleotteri appartenenti alle collezioni del Museo Civico di Genova, per il Dott. R. Gestro. — Description de quelques Coléoptères Hétéromères de la partie australe de l'Amérique, par M. Léon Fairmaire.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences, vol. I n°. 2 and 3 (a). Contributions to a Knowledge of North American Moths, by A. R. Grote. — A Study of North American Noctuidae, by A. R. Grote. —
LXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Descriptions of Noctuidae prineipally from California, by A. R. Grote. — On the North American Geometridae in the Colleetion of the British Museum, by A. R. Grote. — Kleiner Beitrag zur Kenntniss einiger Nordamerikanischen Lepidoptera, von A. R. Grote. Description of the Genera Argyrophyes and Condylolomia and of a species of Deuterollyta, by A. R. Grote. — Description of a Butterfly new to the Lower Lake Region, by A. R. Grote. — Description of three Genera of Noctuidae, by A. R. Grote. — On Wallengren’s „Lepidoptera Scandinaviae Heterocera disposita et descripta”, by A. R. Grote. Bulletin of the Essex Institute, vol. IV (a).
Injurious inseets in Essex County, by Dr. A. S. Packard. — Essex County Spiders, by J. H. Emerton.
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XIV and XV part 1 and 2 (a). Observations on the Development of Pholeus, by J. H. Emerton. — On the Larvae of the Hemerobina, by Dr. H. A. Hagen.
Six Annual Report of the United States Geological Survey (a). Coleoptera, by G. H. Horn. — Notes on Orthoptera, by Cyrus Thomas. — Odonata from the Yellowstone, by Dr. H. Hagen. — Descriptions of new species of Mallophaga collected by C. H. Merriam While in the Government Geological Survey of the Rocky Mountains, by A. S. Packard Jr. — Description of new Insects, by A. S. Packard Jr. — Insects inhabiting Great Salt Lake and other saline or alkaline lakes in the West, by A. S. Packard Jr.
Memoirs read before the Boston Society of Natural History, vol. II. pri II, n0.3. On the Carboniferous Myriapods preserved in the Sigillarian Stumps of Nova Scotia, by S. H. Scudder.
Report of the United States Geological Surveys of the Territories, vol. V prt. 1 (a).
Acrididae of North America, by Cyrus Thomas.
Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, Ann. 1873, 1022 (0):
Reise nach Baku, Lenkoran, Derbent, Madschalis, Kasum Kent, Achty, von A. Becker. — Enumération des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses voyages par feu Victor Motschoulsky. (12me article).
Verhandlungen der k. k. zool-bot. Gesellschaft in Wien, Jahr 1873. Bd. XXIII (a).
Zoologische Miscellen, von G. Ritter von Frauenfeld (Die neuesten Beobachtungen über Phylloxera vastatrix. Hydrachna geographica auf Dytiscus-Arten schmarotzend). — Beitrag zur Orthopteren-Fauna
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXV
Tirols mit Beschreibung einer neuen Pterolepis, von H. Krauss. — Uebersicht der bis jetzt in der Sandezer Gegend West-Galiziens gesammelten Dipteren, von Dr. A. Grzegorzek. — Beitrag zur Naturgeschichte von Eumolpus vitis F., von Dr. Geyza v. Horväth. — Hymenopterologische Beiträge, von Dr. J. Kriechbaumer. — Haemo- phila, nov. gen. Tabanidarum, von Dr. J. Kriechbaumer. — Verzeichniss der im Jahre 1872 in der Umgebung von Livorno und Pratovecchio gesammelten Schmetterlinge nebst Beschreibung von zwei neuen Schaben aus Sicilién, von J. Mann. — Zoologische Notizen, von Dr. F. Löw. — Seltsame Geschichte eines Tagfalters, von S. H. Scudder. — Zwei neue Anthicinen, beschrieben von Dr. CI. Hampe. — Beitrag zur Schmetterlingskunde Dalmatiens, von V. Geiger. — Zoologische Miscellen , von G. Ritter von Frauen- feld (Neuer Kartoffelschädling in America. — Zwei neue Gall- mücken. — Neuer Phyllopode. — Angebliches Mittel gegen Phyl- lorera. — Anobium paniceum L. in Paprika.) — Die europäischen Arten der Gattung Lepidurus Leach, nebst einigen biologischen Bemerkungen über Phyllopoden, von Dr. F. Brauer. — Beiträge zur Kenntniss der Nordamerikanischen Nachtfalter, besonders. der Microlepidopteren, von P. C. Zeller. 2te Abth. — Beiträge zur Kenntniss der Phryganiden, von Dr. H Hagen. — Beitrag zur e Dipteren-Fauna Ungarns, von F. Kowarz. — Dr. J. R. Schiner. Ein Nachruf von G. R. v. Frauenfeld. — Georg Ritter von Frauen- feld. Ein Nachruf von Karl Brunner von Wattenwyl. — Acht neue Arten deutscher zweiflügeliger Insecten, von Th. Beling. — Neue Lepidopteren gesammelt von Herrn Haberhauer , beschrieben von A. Rogenhofer und J. Mann. — Beitrag zur Naturgeschichte verschiedener Arten aus der Familie der Tipuliden, von Th. Beling. — Ueber Diaptomus amblyodon n. sp., von Dr. E. Marenzeller.
Nouvelles Archives du Muséum d’histoire naturelle de Paris. tom. IX fasc. 4 (b). Recherches sur la faune careinologique de la Nouvelle Calédonie, par M. A. Milne-Edwards (suite et fin).
Mei 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 129 (May 1874) (a).
Melitaea Selene ? variety, by E. Newman. — Descriptions of Oak- galls. Translated from Dr. Mayr’s „Die Mitteleuropäischen Eichen- gallen” by Mrs. Hubert Herkomer née Weise. — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies, by F. Walker. — Notes on some Amurland European Diptera, by F. Walker. — Ento- mological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 120 (May 1874) (b).
On certain British Hemiptera-Homoptera (Revision of the family =
LXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Delphacidae) by J. Scott. — Hemiptera-Heteroptera : descriptions of two new species of the family Emesidae, id. — Description of a genus and species of Hemiptera-Heteroptera new to Europe, id. — Description of two West African Butterflies from the collection of Henly G. Smith, by W. C. Hewitson. — Entomological Notes, Captures, ete. — Index to vol. X.
Newman’s Zoologist, Sec. ser. n°. 104 (May 1874) (0). Notes on the Lido, Torcello and the Pineta, by F. A. Walker.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 77 (May 1874) (0).
A Concise Notice of Observations on certain Peculiarities in the Structure and Functions of the Araneidea, by J. Blackwall. — A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema and Euglossa belonging to the Family Apidae, Section Scopulipedes, by F. Smith. — A List of Butterflies taken on the march to Coomassie by Lieutenant Alwin S. Bell, between Mansu and the River Prah, with Descriptions of new Species, by W. C. Hewitson. — Addi- tions to the Australian Cureulionidae, Part. VI, by F. P. Pascoe. — Contributions towards the Natural History of the Termites, by Dr. F. Müller. — On new Parasitic Crustacea from the N. W. Coast of America, by H. W. Dall.
Album der Natuur, jaarg. 1874. aflev. 6 (0).
Nieuw schadelijk insekt, door D. L. — Bewaarmiddel voor insekten,
door Hg. — Tetraneura of Phylioxera ? door P. Schuringa. Revue et Magasin de Zoologie, 1874, n°. 4—6 (0).
Mémoire sur les Coléoptères Tenebrionides formant les genres Sepidium F. et Vieta Cast., par M. E. Allard. — Description des Fourmis d'Europe pour servir à l’étude des insectes myrmécophiles, par E. André.
Junij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 130 (June 1874) (a). Gortyna flavago and its Householding, by Edw. Birchall. — The
Goat-moth Larva underground, by Edw. Newman. — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies, by Fr. Walker (conti- nued). — Entomological Notes, Captures, etc.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 121 (June 1874) (b). Descriptions of some new species of the genus Pachytricha, by D. Sharp. — Descriptions of five new Lucanoid Coleoptera, by Chas. O. Waterhouse. — British Hemiptera, Additional Species, by J. W. Douglas. — Notes on British Zortrices, by ©. G. Barrett (continued). — Entomological Notes, Captures, ete. — Orbituary : Dr. Herrich Schaeffer and Th. J. Bold. — Notes on Cicindelidae
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXVII
and Carabidae, and Descriptions of new species (n°. 17), by H. W. Bates.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 78 (June 1874) (0). Additions to the Australian Curculionidae (Part VII), by Fr.
Pascoe. — A Revision of the Genera Epicharis, Centris, Eulema and Euglossa belonging to the Family Apidae, Section Scopuli- pedes, by F. Smith. — Observations on the Spermatophores of
the Decapod Crustacea, by M. Brochi.
Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg, Jahrg. 28, n°. 1—3 (0). Systematische Uebersicht der Käfer welche in Bayern und der nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel.
Annales des Sciences Naturelles. Zoologie. 5e ser. tome 19, n°. 3—6 (0). Note sur le Nephrops Stewartii W. Mason, par A. Milne Edwards. — Mémoire sur. des Crustacés rares ou nouveaux des còtes de France, par M. Hesse. — Essai sur le venin du Scorpion, par le Dr. Jousset de Bellesme. — Observations sur la Réproduction
du Phylloxera du chêne, par M. Balbiani.
Julij 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 131 (Julij 1874) (a).
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. Mayr’s „Die Mittel- europäischen Eichengallen ”, by Mrs. Hubert Herkomer née Weise. (continued). — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies, by Fr. Walker (continued). — Netherland Insects. Trans- lated from the Dutch of Christian Sepp, by Edw. Birchall. — Notes on the Macro-Lepidoptera of Liibeck, by A. W. Paul. — A few Days in East-Sussex, by W. H. Tugwell. — Entomolo- gical Notes, Captures, ete.
Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 122 (July 1874) (0).
Notes on British Tortrices, by C. G. Barrett (continued). — Illu- strations of Insect Monstrosities, n°. 1. — On a monstrous stag-beetle (Lucanus Elaphus), by Prof. J. O. Westwood. — Description of a new species of Cetoniadae, by D. Sharp. — Descriptions of new Lycaenidae from West-Africa, by W. C. Hewitson. — Descriptions of three new Butterflies from Costa Rica, by Herbert Druce. — Entomological Notes, Captures, ete. — Life History of Meligethes, by E. A. Ormerod.
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 13, n°. 79 (July 1874) (b).
Amphipodous Crustacea. A new Species, and some Items of
Description and Nomenclature, by T. R. R. Stebbing. — On
LXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Callisoma Branickii, a new Species from Nice, by A. Wrzés- niowski. — On the Longicorn Coleoptera of New-Zealand, by H. W. Bates. — New Observations on the Habits of the Ants of the South of France, by T. Moggridge. — On the Metamor- phoses of the Acarina of the Families Sarcoptidae and Gamasidae , by M. Megnin.
Verhandlungen des naturhistorischen Vereines der preussischen Rhein- lande und Westphalens, Jahrg. 29 (1872) und 30 (1873) (b). Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen, von H. Müller. — Die dem Wein- und Obstbau schädlichen Insekten, von E. Taschenberg. — Ueber die Cetoniden der Philipine- und Sulu- Inseln, van Dr. Mohnike. — Verzeichniss Westphälischer Spinnen (Araneiden), von F. Karsch. — Ueber monströse Körperbildung bei Coleopteren. von Dr. Mohnike. — Ueber den nordamericanischen Kartoffelverwüster Doryphora decemlineata Say, von Cornelius.
Annales de la Société entomologique de Belgique. Tome 16e (1873) (b). Revision des Psocides décrites par Rambur, suivie de la liste des espèces de cette famille observées jusqu'ici en Belgique, par M. de Sélys-Lonchamps. — Deuxième Supplément à la Révision générale des Clivinides, par M. J. Putzeys. — Monographie des Ga- lathides, par J. Putzeys. — Description de quelques Tychiides nouveaux, par M. J. Desbrochers des Loges. — Notes sur les Myrméléonides décrits par M. le Dr. Rambur, par R. Mac-Lachlan. — Description d’une nouvelle espèce d’Echthromyrmex, genre des Myrméléonides, par M. R. Mac-Lachlan. — Note sur l'oeuf et le jeune âge de la chenille d’Aeneis Aello, par S. H. Scudder. — Supplément aux Notes additionnelles sur les Phryganides décrites par le Dr. Rambur, par R. Mac-Lachlan. — Curculionides re- cueillis au Japon par M. G. Lewis, par W. Roelofs. (1re partie). — Notice sur la Paranonca prasina Casteln., par G. van Lans- berge. --- Comptes-Rendus des Séances de la Société. — Cata- logue de la Bibliothèque de la Société, 2me division. Coleopterologische Hefte, herausgegeben von E. v. Harold. Heft n°. 12 (0). Zur Synonymie des Onitis Belial F., von E. v. Harold. — Des- cription d’un nouvel Aphodius, par M. S. de Solsky. — Ueber die Ataenins-Arten mit gezahntem Kopfschilde, von E. von Harold. — Zur Kenntniss der kugelfirmigen Trogiden, von E. von
Harold. — Proteinus longicollis nov. sp., beschrieben von P. V. Gredler. — Beiträge zur Kenntniss der Amerikanischen Eumol- piden, von E. von Harold. — Ueber eine neue Gattung der Babiidae. — Berichtungen und Zusätze zum Münchener Cata- loge. — Literatur. — Miscellen. — Geänderte Namen.
The Entomologist’s Annual for 1874 (b). Observations on Tineina. Epitomized Summary of the Observations
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXIX
occurring in the nineteen previous Volumes of this Annual, by H. T. Stainton. — Our Utter Ignorance (Lepidoptera), by H. T. Stainton. — New British Species, Corrections of Nomenclature, ete. noticed since the publications of the Entomologist’s Annual for 1873 (Coleoptera), by E. C. Rye. — New British Species, Corrections of. Nomenclature, ete. (Cynipidae, Ichneumonidae , Braconidae and Oxyura), by T. A. Marshall. — On Hermaphro- ditism in Ants, by F. Smith. -— Notes on new and rare British Lepidoptera (excepting Tineina) for 1873, by H. G. Knaggs. — New British Tineina, by H. T. Stainton. — An Entomologist’s Visit to Dalmatia in 1873.
Transactions of the Entomological Society of London for the year 1873 (0).
On a new genus of Colydiidae from Japan, by T. Vernon Wol- laston. — On the Cossonidae of Japan, by T. Vernon Wollaston- — The Water Beetles of Japan, by D. Sharp. — Catalogue of the Phytophagous Coleoptera of Japan, with descriptions of the species new to science, by J. S. Baly. — On some new species of Butterflies discovered in Extra-Tropical Southern Africa, by R. Trimen. — On the Hydroptilidae, a Family of the Trichoptera, by A. E. Eaton. — A Monographie List of the Species of Gas- teracantha or Crabspiders, with descriptions of new species, by A. G. Butler. — Descriptions of Aculeate Hymenoptera of Japan, collected by Mr. G. Lewis at Nagasaki and Hiogo, by F. Smith. — Contributions to Entomological Bibliography up to 1862, n°. 1, by A. Miiller. — On the Geodephagons Coleoptera of Japan, by H. W. Bates. — Descriptions of new genera and species of Geodephagous Coleoptera from China, by H. W. Bates. — Characters of seven non- deseript Lucanoid Coleoptera, and remarks upon the genera Lissotes , Nigidius and Figilus, by Major Sidney Parry. — Remarks on the Affinities of the genus Nicagus Leconte, by H. Deyrolle. — Descriptions of new genera and species of Tenebrionidae from Australia, New Caledonia and Norfolk Island, by F. Bates. — Notes on the Ephemeridae, by Dr. H. A. Hagen, compiled (with remarks) by A. E. Eaton. — On the habits and economy of certain Hymenopterous Insects which nidificate in briars, and their Para-
sites, by Sidney Smith Saunders. — List of the species of Galeodides with descriptions of a new species in the collection of - the British Museum, by A. G. Butler. — On the genera of the
Cossoridae, by T. Vernon Wollaston.
Id. for the year 1874. Prt. I and II (0). The Staphylinidae of Japan, by D. Sharp. — The Pselaphidae and Seydmaenidae of Japan, by D. Sharp. — Notes on the Habits of Papilio Merope, with a description of its Larva and Pupa,
LXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
by J. P. Mansel Weale. — Observations on the Case of Papilio Merope, Auct.; with an Account of the various known forms of that Butterfly by Roland Trimen. — Descriptions of fifteen new species of Diurnal Lepidoptera, chiefly from South America, by Herbert Druce. — Catalogue of the Phytophagous Coleoptera of Japan, with descriptions of the Species new to Science, by J. S. Baly (continued). — Supplement to the Longicorn Coleoptera of Chontales, Nicaragua, by H. W. Bates. — Note on Mynes Guerini Wallace, by W. H. Miskin. — Note on a „Catalogue of the described Diurnal Lepidoptera of Australia, by Mr. G. Masters, of the Sydney Museum,” by W. H. Miskin. — Monograph of the Genus Xylocopa Latr., by F. Smith. — Notes on the Buprestidae colleeted by Prof. Semper in the Philippine Islands; with descrip- tions of the new species, by E. Saunders.
Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Bd. [Ven 4-(b):
Bericht über die 16° Sitzung der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. — Ueber die Seide von Bombyx Pernyi, von Dr. G. Schoch. — Ameisen-Aehnlichkeit unter den Hemipteren, von O. M. Reuter. — Die Stridulations-Methode des Coranus subaplerus de Geer (Coliocoris pedestris Wolff, Fieb.), von 0. M. Reuter. — Beobachtungen über die Lebensweise und Minirarbeiten des Tomicus (Bostrichus) Cembrae in den Alpen Graubiindtens, von Bischoff-Ehinger. — Système des Gryllides, par Ch. Brunner de Wattenwyl. — Curculionides nouveaux, par H. Fournier. — Cosmopleryx Scribaiella v. Heyd. Eine Notiz von H. Frey. — Kleine Faunen, von G. Schoch. — Observations synonymiques et _
remarques diverses, par M. J. Desbrochers des Loges. — Ueber Anthidium strigatum Panz. und contractum Latr., von Dr. Kriech- baumer.
Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of London for 1873. Prt. I and Il (a).
On some new genera and species of Araneides, by O. P. Cambridge. — On a certain Class of Cases of Variable Protective Colouring in Insects, by R. Meldola. — Monographie Revision of the Genera Zephronia and Sphaerotherium, with Descriptions of new Species, by A. G. Butler. — On the Spiders of St. Helena, by the Rev. O. P. Cambridge. — Description of a remarkable new Species of Tanaccia , by M. R. Butler. — Description of a new Moth, be- longing to the Family Saturniidae, by E. Bartlett. — A List of the Collections of Diurnal Lepidoptera made by Mr. Lowe in Borneo, with Descriptions of new species, by Herbert Druce. — A List of the Spiders of the Genus Acrosoma, with Descriptions of new Species, by A. G. Butler. — On some new Species of
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXI
Araneidae, chiefly from Oriental Siberia, by O. P. Cambridge. — Description of a new Genus and Species of Papilionidae from the South-eastern Himalayas, by W. S. Atkinson.
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. tom. IX (0).
Neue Lepidoptera des europäischen Faunengebietes, von H. Chris- toph. — Beitrag zur Lepidopteren-Fauna Transkaukasiens und Beschreibung zwei neuer Arten, von G. von Emich. — Neue Südrussische Bienen, beschrieben von Dr. F. Morawitz. — Syno- nymische Bemerkungen, von Dr. F. Morawitz. — Les Aranéides de la Guyane frangaise, par L. Taczanowski (suite). — Nachtrag zur Bienenfauna des Gouvernements von St. Petersburg, von Dr. F. Morawitz. — Notice Lépidoptérologique, par N. Erschoff. — Zur Kenntniss der Käferfauna Süd-Ost-Sibiriens insbesondere des Amur-Landes. Longicornia, bearbeitet von C. Blessig, mit Nach- trägen und Bemerkungen von S. Solsky. — Les Aranéides de la Guyane frangaise, par L. Taczanowski (suite). — Descriptions de quelques Diptères nouveaux de la Sibérie orientale, par J. Portschinsky. — Deux Diptères nouveaux de la Perse septentri- onale, par J. Portschinsky. — Faltenwespen aus Krasnowodsk, von Dr. F. Morawitz. — Coléoptères de Russie, par S. Solsky. — Synonymische Bemerkungen, von J. Faust.
Id. tom. X, n°. 1 (0).
Weiterer Beitrag zum Verzeichnisse der in Nord-Persien einheimi- schen Schmetterlinge, von H. Christoph. — Les Aranéides de la Guyane frangaise, par L. Taczanowski.
Augustus 1874.
Newman’s Entomologist, n°. 132 (Aug. 1874) (a).
Variety of Arctia lubricipeda (female), by G. R. Dawson. — Des. criptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr’s „Die Mitteleuropäischen Eichengallen”, by Mrs. Hubert Herkomer née Weise. — Entomological Notes, Captures, ete. — Extracts from the Proceedings of the Entomological Society of London, May 4th and June Ist 1874.
The Entomologist’s Monthly Magazine, n°. 123 (Aug. 1874) (0).
On two new Coleopterous Insects belonging to the family Rutelidue, by C. G. Waterhouse. — Description of a new Genus and Species of Coleoptera from Japan, by H. S. Gorham and G. Lewis. — Description of a new Species of Cremastocheilus from California, by J. ©. Westwood. — Descriptions of new Species of Butterflies, by W. C. Hewitson. — Notes on a collection of Butterflies recently brought from Cape Coast, with Description of a new Species from Natal, by A. G. Butler. — Notes on British Tortrices, by C. G- Barrett (continued). — Additions to the list of British Hemiptera, by E. Saunders. — Entomological Notes, Captures, etc.
LXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN
Annals and Magazine of Natural History, 4th ser. vol. 14, n°. 80 (0). On some Species of Amphithoé and Sunamphithoë, by Th. R. R. Stebbing. — On the Longicorn Coleoptera of New Zealand, by H. W. Bates. — Descriptions of two new Species of Fulgora from India, by A. G. Butler. — On a new Genus of Asellidae, by O. Harger. Album der Natuur, jaarg. 1874, aflev. 10 (0).
De zijderupsteelt, eene bron van welvaart voor huisgezinnen, door P. Harting.
Proceedings of the Zoological Society of London for 1873. (Part III) and for 1874. (Part I) (a).
Description of three new Species of Diurnal Lepidoptera, by M. R. Butler. — Descriptions of two new Species of Butterflies from the Andaman Islands, by W. S. Atkinson. — Revision of the Genus Protogonius, by A. G. Butler. — On the Coleoptera Geo- dephaga of Chile, by E. C. Reed. — List of the Species of Fulgora, with Descriptions of New Forms in the Collection of the British Museum, by A. G. Butler. — A List of the Lepido- pterous Insects colleeted by Mr. L. Layard at Chentaboon and Nahconchaisee, Siam, with Descriptions of new Species, by H. Druce.
Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1873, DO. 3: (0).
Matériaux pour servir à l’étude des Féroniens, par le Baron de Chaudoir. — Supplément indispensable à l’article de M. Gerstaecker, en 1869, sur quelques genres d’Hyménoptères, par 0. de Bour- meister-Radoszkowsky.
Berliner Entomologische Zeitschrift. 17ter Jahrg. (1873) Heft 3 und 4 (0). Ueber einige streitige und zweifelhafte Bienen-Arten, von Prof. Schenck. — Ueber Pilze, welche auf Insecten vorkommen, von A. Hensel. — Analytische Uebersicht der Arten der Gattung Otiorhynchus, von Dr. G. Stierlin. — Europeae et circummedi- terraneae Faunae Dasytidum et Melyridum specierum, Auctore F. Baudi a Selve pars altera. — Coleopterorum messis in in- sula Cypro et Asia minore ab Eugenio Truqui congregatae re- censitio: de Europaeis notis quibusdam additis. Auctore F. Baudi
a Selve (pars quinta). — Beiträge zur Kenntniss der Peruani- schen Käferfauna auf Dr. Abendroth’s Sammlungen basirt, von Th. Kirsch (2tes Stück). — Endaliscus Skalitzkyi, eine neue deutsche Rüsselkäfer-Gattung, beschrieben von Th. Kirsch. — Ueber Hydaticus austriacus St. und cinereus St., von Dr. Budde- berg. — Beschreibung eines Maikäfer-Zwitters, von Dr. G. Kraatz. — Beschreibungen difformer oder sogenannter monströser Käfer, von Dr. G. Kraatz und von Kiesenwetter. — Ueber einige schwierige
ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXII
Opatrum-Arten, von Dr. G. Kraatz. — Synonymische Bemerkun-
gen, von von Kiesenwetter, Kraatz und Weise. — Sammelbe- richt, von H. Fuss. — Ueber von Harold’s coleopterologische
Hefte, nebst einigen kurzen Bemerkungen über Nomenclatur, von Dr. G. Kraatz. Idem. 18ter Jahrg. (1874) Heft 1 und 2 (b).
Palesida, neue Eumolpiden-Gattung, beschrieben von E. von Harold. — Ueber die Genitalien der männlichen Bienen, besonders der Gattung Sphecodes, von von Hagens. — Revision der Europäischen Arten der Gattung Malthodes, von H. von Kiesenwetter. — Zur Nomenclatur der Cryptocephaliden, von H. von Kiesenwetter. — Ueber die Gattung Canace Hal., von Prof. H. Löw. — Beiträge zur Kenntniss der Cassida-Arten , namentlich auch einiger schwie- rigen, deutschen, von Dr. G. Kraatz. — Verzeichniss synony- misch interessanter deutscher Cassida-Arten aus dem Manuscripte zum letzten Bande des Gemminger-Harold’schen Catalogs syn. et syst., mitgetheilt von E. von Harold. — Verzeichniss an- dalusischer Cassida-Arten, von G. Kraatz. — Wieviel und welche Asida-Arten besitzen wir in Deutschland und der Schweiz ? von G. Kraatz. — Asida pusillima, eine neue Art aus der Sierra Nevada, beschrieben von Dr. G. Kraatz. — Ueber Asida terricola Kiister und sabulosa Goeze, von G. Kraatz. — Ueber die Gattungs- Merkmale der Käfer- (Corylophiden-) Gattung Orthoperus Steph., von L. v. Heyden. — Ueber die deutschen Orthoperus-Arten , von Dr. G. Kraatz. — Systematisches Verzeichniss der bisher in der Gegend von Bremen gefundenen: Käferarten , von Fr. Brüggemann , besprochen von Dr. G. Kraatz. — Sammelbericht aus Schwerin in Meckl., von Brauns. — Ueber die Verwandten von Trachys pumila IL, von G. Kraatz. — Ueber Bembidium biguttatum Fbr. und inoplatum Schaum, von Seidlitz und Kraatz. — Zwei neue deutsche Käfer, beschrieben von Dr. K. Branesik. — Zwölf für Deutschland neue Käfer, von W. Scriba. — Veränderung der Fauna und Flora der Mannsfelder Seen, von M. v. Hopffgarten. — Kurzer Bericht über eine entomologische Exeursion nach Dalma-
tien, von Fr. Dirnböck. — Dejean’s Sammlungen in Dalma- tien, von G. Kraatz. — Notiz über die Curculioniden-Gattung Callirhopalus Hochh., von Th. Kirsch. — Ueber die Varietäten-
bildung unter den Schmetterlingen mlt Bezug auf die darwinis- tische Theorie. Vortrag von Dr. Staudinger. — Ueber die schnelle Verbreitung des höchst schädlichen Kartoffelkäfers aus Colorado (Doryphora decemlineata Dej.), von Dr. G. Kraatz. — Ueber die Hypertelie in der Natur, von C. Brunner von Wattenwyl. —- Aus der Bienen-Fauna Nassau’s, von Prof. Schenck. — Be- schreibung zweier neuer Aphodius-Arten, von E. von Harold. — Beitrige zur Kenntniss einiger coprophagen Lamellicornien, von
LXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ.
E. v. Harold (Stes Stück). — Ergänzungen und Nachträge zu Hagen’s Bibliotheca Entomologiea, zusammengestellt von Dr. G. Kraatz. (Erstes Stück). — Neue Coleopteren aus Ungam, von Dr. K. Branesik.
Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Ann. 1870—72 (a). Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la France, la Belgique, la Hollande, les Provinces Rhénanes et le Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par A. Fauvel (suite). — Compte-rendu de la partie entomologique de Vexcursion faite au marais Vernier, par A. Fauvel. — Com- munication sur les différences qui existent entre la faune de la Normandie et celle de l'Angleterre, par A. Fauvel. - Conside- rations de zoologie géographique à propos d’une collection de coléoptères recueillis en Sibérie et sur les rives du fleuve Amour, par A. Fauvel.
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Vol. I, n°. 4 (a). On the Butterflies of Anticosti, by A. R. Grote. — Notes on North-American Lepidoptera, by H. K. Morrison. — On eight Species of Noctuidae, by A. R. Grote. — The two Prin- cipal Groups of Urbicolae (Hesperidae auct.), by S. H. Seudder. — Note on the Species of Glaucopsyche from Eastern North-America , by 8. H. Scudder. — On the Devonian Brachiopoda of Erere, Province of Para, Brazil, by R. Rathbun. — New Phalaenoid Moths, by L. F. Harvey. — Notes on the Species of Pasimachus, by J. L. Leconte. — Description of two new Noctuidae from the Atlantie District, by H. K. Morrison. — Rectification of Treitschke’s use of Hiibner’s generie term , Cymatophora”, by L. F. Harvey. — Determination of Brazilian Sphingidae colleeted by Mr. Ch. Linden, by A. R. Grote.
Met de volgende (4%) aflevering zal dit X VIII“
deel gesloten worden.
SA Tr
|
NOBELS
VAN DE ACHTSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING, GEHOUDEN TE LEIDEN
op 19 December 1874, des avonds ten 6 ure.
Voorzitter: Mr. W. Albarda.
Met den Voorzitter zijn tegenwoordig de heeren Jhr. Dr. Everts, N. H. de Graaf, Mr. H. W. de Graaf, G. M. de Graaf, Groll, Dr. van Hasselt, Heylaerts, Kinker, Mr. Leesberg, van Leeuwen, Maitland, Dr. Piaget, Ritsema, Snelleman, Snellen, Prof. Veth, H. J. Veth, Dr. Snellen van Vollenhoven en van der Wulp.
De heeren Mr. J. H. Albarda, Mr. Brants, Mr. Bijleveld, Lodeesen, Mr. Piepers en Westerman hebben kennis ge- geven dat zij verhinderd zijn de Vergadering bij te wonen.
De Voorzitter rigt een woord van verwelkoming tot de heeren van Leeuwen en Snelleman, die als nieuwe leden der Vereeniging voor het eerst ter Vergadering zijn opge- komen.
Vervolgens deelt de Voorzitter mede, dat eene circulaire van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging is ingeko- men, waarin deze het denkbeeld aangeeft, om in het mid- den der maand September 1875 een gedenkdag te wijden aan de nagedachtenis van onzen beroemden landgenoot
VI
LXXVI VERSLAG.
Antonie van Leeuwenhoek, en wel, omdat het dan juist twee eeuwen zal geleden zijn, dat door hem eene der be- langrijkste ontdekkingen in de natuurwetenschappen werd gedaan. De Dierkundige Vereeniging stelt voor, dat ook de Nederlandsche Entomologische Vereeniging hare adhaesie aan dit plan zal schenken en afgevaardigden zal benoe- men, om in de maand Januarij e. k. te Amsterdam met vertegenwoordigers van andere natuurkundige genootschap- pen de maatregelen te beramen tot de uitvoering.
Nadat de circulaire door den Secretaris is voorgelezen, zegt de Voorzitter, dat volgens de bepalingen der wet de vergadering van heden avond alleen gewijd is aan het be- handelen van wetenschappelijke onderwerpen en de tijd tusschen de ontvangst der circulaire en den termijn, tot beantwoording gesteld, niet toeliet om eene buitengewone vergadering bijeen te roepen; dat hij dus alleen mededee- ling doet van de ontvangen uitnoodiging, en het Bestuur overigens een antwoord aan de Dierkundige Vereeniging zal doen toekomen, waarin op het genoemde wettelijke bezwaar wordt gewezen en voorts de persoonlijke ingeno- menheid der Bestuursleden met het aangegeven denkbeeld wordt te kennen gegeven, terwijl tevens daarbi) het uitzigt zal worden geopend, dat des verlangd een paar der Be- stuursleden, niet als door de Entomologische Vereeniging afgevaardigd, maar als private personen, op de vergadering te Amsterdam zullen tegenwoordig zijn.
Hierna wordt overgegaan tot de behandeling van weten- schappelijke onderwerpen.
“De heer Snellen van Vollenhoven spreekt in de eerste plaats kortelijk over den Colorado-kever (Doryphora decemlineata Say), die zich in Noord-Amerika als hoogst schadelijk voor de aardappelplant heeft doen kennen, en tegen wier invoering hier te lande de Regering onlangs, naar aanleiding van een rapport van Dr. W. C. A. Staring, heeft gewaarschuwd. Hoewel zulks hier bijna onnoodig is,
VERSLAG. LXXVII
wijst Spreker er op, dat de kever niet behoort tot de Onzelievenheersbeestjes (Coccinelliden), zoo als de heer Staring in zijn rapport ten onregte vermeldt, maar tot de Goudhaantjes (Chrysomeliden); in dit geval een zeer groot verschil, omdat de eersten, wel verre van voor den land- bouw schadelijk te zijn, juist tot de nuttige insecten ge- rekend moeten worden, wijl zij zich grootendeels met plantluizen voeden en deze bij millioenen verdelgen. De Colorado-kever stamt uit de Rocky Mountains, waar hij op Solanum rostratum Dunal leefde. Met den aldaar uit Peru ingevoerden Solanwm tuberosum L. trok hij westwaarts tegen de zon in, werd in 1859 in Nebraska, 100 mijlen westelijk van Omaha-city waargenomen en vertoonde zich in 1861 in Jowa en in 1864 en 1865 in Missouri. Vervol- gens is hij over de Mississippi ook in Illinois gekomen, waar hij, zoowel als de verwoestingen door hem aan de aardappelteelt toegebragt, het eerst wetenschappelijk is onderzocht. Later vertoonde hij zich in 1868 in Indiana, in 1870 in Ohio en aan de grenzen van Canada, trok in 1871 tot over de Detroit-rivier en het meer Erie, en werd in het thans loopende jaar zelfs in New-York aange- troffen. Daar hij tot drie generatiën in het jaar heeft, is zijne voortplanting uiterst snel, te meer wijl zijne larve door het gevogelte wordt versmaad. Niettemin deelt Spreker geenszins in de vrees, dat dit schadelijke insect ligtelijk in Europa zal worden overgebragt, omdat alleen het loof der plant van zijne vraatzucht te lijden heeft en de knol, die toch alleen naar hier komt, onaangetast blijft. Overigens is Spreker voornemens, elders in een meer algemeen ge- lezen Tijdschrift, meer uitvoerige mededeelingen omtrent dit onderwerp in ’t licht te geven.
In de tweede plaats vestigt dezelfde Spreker de aandacht op den Catalogus Hymenopterorum Europae, auctore Leop. Kirchner, Mag. Chir., Vindebonae 1867. Toen hij dit boek het eerst in handen kreeg, meende hij een’ schat verworven te hebben. Het werk zag er flink uit, de Index
LXXVIII VERSLAG.
vertoonde een’ overvloed van generieke namen en de lijvigheid en netheid van den catalogus deed al dadelijk een goeden dunk ontstaan omtrent de deugd van zijn ge- halte. Ook beviel het Spreker zeer dat achter de species- namen de plaatsen opgegeven worden waar de dieren ge- vangen zijn, en bij de parasiten ook somtijds de woondieren waarin zij gehuisd hadden.
Doch bij het gebruik viel de Catalogus tegen en wel bij voortgezet gebruik zoozeer, dat Spreker niet aarzelt te verklaren dat het werk, ten minste tot de Sectio der Acu- leaten, dus voor 210 bladzijden van de 256 geheel moet worden herzien en met naauwkeurige critiek verbeterd, wil het bruikbaar zijn.
Gewoonlijk zondigt een catalogus door verzuim, dat is, in den regel zijn er vele soorten overgeslagen, doch deze catalogus, ofschoon van die feil niet vrij te pleiten, zondigt nog veel meer door overvloed, dat is te zeggen: sommige soorten komen in twee of zelfs drie genera voor.
Ten bewijze van de mindere naauwkeurigheid van Kirch- ner’s Catalogus leest Spreker eenige aanteekeningen voor, door hem van tijd tot tijd bij het naslaan eener soort ge- maakt en nu in systematische orde geplaatst. Zij zijn niet gezocht, maar opgevallen, en ’tzou luttel moeite kosten hun getal te verdubbelen.
Op bladz.1 is in het eerste Genus reeds verwarring aan te treffen: Cimbex Humboldtii n°.6 is gelijk aan C. connata, die als synoniem van Montana n°. 9 voorkomt. N°. 8 C. lutea is het wijfje van C. femorata n°. 4, die aldaar tot synoniem heeft Sylvarwm F., dat eene andere soort is.
Bladz. 2. Geslacht Clavellaria. N°. 2 marginata F. is het wijfje van n°. 1 Amerinae F., welke hier tot synoniem heeft Tenthr. marginale L., een naam nooit door Linnaeus gebruikt.
Op bladz. 4 komt een geslacht Pristiphora voor met 6 species. Twee daarvan, pallipes en rufipes, komen op de- zelfde bladzijde weder voor onder het geslacht Cladius, terwijl rufipes nogmaals op dezelfde bladz. vermeld staat,
VERSLAG. LXXIX
aangezien het volkomen dezelfde soort is als Trichiocampus uncinatus Klug, en men bovendien nog op bladz. 5 leest ad n°.36, dat Nematus brevis Hart. gelijk is aan Pristiphora rufipes St. Farg. (Dit is echter stellig onwaar en zoo komt Rufipes slechts 3 maal en niet 4 maal voor.)
Op bladz. 57 is het geslacht Cylloceria vermeld, met 3 soorten caligata, marginator en nigra, welke alle drie op pag. 101 weder aangetroffen worden onder het geslacht Lampronota in de familie der Pimplarien, NB. met bijvoeging van den naam Cylloceria als synoniem. Op pag. 101 wordt bovendien gezegd dat de soort nigra identiek is met Chalinocerus lon- gicornis Ratz., welke ten overvloede nog eens onder dien naam in het geslacht Chalinocerus op bladz. 65 voorkomt.
Het 193° Genus is Tryphon (bl. 75). Men weet dat Try- phon, een geslacht van Fallèn, door Gravenhorst aangeno- men, later door Holmgren, Schiödte en Rutte in verschei- dene genera is opgelost, zoodat er in het onderdeel Tryphon der nieuweren niet meer dan 21 soorten overgebleven zijn. Hier echter komt Tryphon voor met 140 species, die dus natuurlijk voor het grootste gedeelte onder andere geslach- ten verspreid moeten worden. Wel kan men noch uit den naam, noch uit de beschrijving opmaken in welk genus zij behooren, maar dan hadden de echte Tryphonen afzon- derlijk moeten staan en door een duidelijk merkteeken van de overigen afgescheiden.
Pag. 129 en 150 leveren weder veel stof tot aanmerking. Pygostolus falcatus op bl. 129 is dezelfde als Blacus falcatus bl. 130 (tgeen er NB. bij vermeld staat). Bij Pygostolus sticticus staat dat deze soort identiek is met Bassus gigas Wesm., ’t geen noodzakelijk eene drukfout is voor Blacus gigas Wesm. (want de pag. van Wesmael’s Braconiden wordt er bij geciteerd), maar Bl. gigas komt ook weder onder Blacus op pag. 130 voor.
Gonicormus paganus bl. 129 = Blacus paganus bl. 130. De drie soorten van Ganichorus op bl. 130 komen ook weder onder Blacus voor op dezelfde bladzijde.
LXXX VERSLAG.
Copidura anceps bl. 140 = Chaenon anceps bl. 141.
De beide op bl. 148 opgenoemde soorten van Cerchysius (niet Cherchisius, zoo als er staat) zijn een.
Op pag. 151 heeft Siphonura Schmidti tot synoniem Or- myrus tubulosus Westw., die op dezelfde bladzijde onder het geslacht Ormyrus als 9° soort weder wordt aangetroffen. Het is duidelijk dat de Siphonura niet had moeten vermeld worden, als zij, gelijk Spreker meent, geen regt op priori- teit kan laten gelden. Is de identiteit der soorten niet be- wezen, dan ware het beter te haudelen gelijk met Lochites op blz. 152 gehandeld is. Daar toch is vermeld: Lochites Papaveris Först. — an = 561, namelijk: is die soort de- zelfde als Cyrtosoma Papaveris Perris?
Onder de Torymidae (p. 154) bevindt zich Palmon pa- chymerus, die vraagsgewijze tot synoniem krijgt Bactyri- schion bicoloratum Costa, doch deze zelfde Bactyrischion komt op bladz. 166 weder onder de Pteromalidae voor. Volgens Haliday, den grooten Hymenopteroloog uit Terland, is Bactyrischion Costa gelijk aan Palmon Dalman en Poda- grion Spinola.
Doch de grootste verwarring in soorten en geslachten treft men aan op bladz. 189 in de groep (Subfamilia) der Dryinidae. Het geslacht Dryinus telt eigenlijk maar ééne soort, nam. Dr. formicarius Latr. en heeft er hier 31. Nu kan men zeggen, Kirchner zet wel achter den naam Dryinus dien van Latreille, maar hij neemt het genus op in den zin van Dalman en Nees, en telt dus hunne soorten op. De vraag is echter hoe komt het dan, dat de genera van Haliday en Förster volgen, die dezelfde soorten van Dal- man en Nees bevatten moeten en in dezen Catalogus het dan ook doen voor Dryinus collaris, die op dezelfde blad- zijde als Chelogynus collaris wordt teruggevonden.
Spreker constateert dit alles met leedwezen en betreurt het zeer dat een zoo nuttig werk of met weinig oordeel en kennis is zamengesteld, of later door eene onhandige hand met bijvoegsels, die zonder eenige critiek werden
VERSLAG. LXXXI
aangebragt, bedorven is. Den Heer Kirchner mag men er niet eens hard over vallen, omdat gelijk uit de voorrede blijkt, de drukproeven niet door hem zijn nagezien.
°t Is zeer jammer, — de Catalogus der Europeesche Hy- menoptera is à refaire.
De heer van Hasselt, die voor twee jaren de muziek- instrumenten der insecten in het algemeen in deze Vergade- ring had behandeld, wenscht hare aandacht thans meer in het bijzonder te vestigen op het muziektoestel der Cicaden.
Hij vangt zijne voordragt aan met eene aanwijzing van ontleedkundige praeparaten hierop betrekking hebbende. Achtereenvolgens worden de verschillende zamenstellende deelen van dit toestel, zoo in hun geheel ontwikkelden toestand bij de mares, als in rudimentairen staat bij de feminae, aangetoond, voor verschillende soorten en van onderscheidene grootte, zoo als de doornvormige uitsteek- sels, de kleppen der zoogenaamde spiegels, het spierweefsel met zijne hoornplaatjes en peesjes, den tamboerin en de stigmata. Van de laatsten werden eenige loupe-praepara- ten voorgelegd en gelegenheid tot bezigtiging daarvan met het school-microscoop gegeven.
Daarna overgaande tot eene critische beschouwing om- trent de bestaande theoriën over de werking der verschil- lende organen en over de hoogere of geringere beteekenis van sommige onder dezen, verklaart hij zich een voor- stander te zijn van de trouwens algemeen bekende oudste verklaring, door Réaumur gegeven en sedert door nagenoeg alle latere onderzoekers met eenige wijzigingen aangenomen en door de belangrijke onderzoekingen van Carus toegelicht. Deed laatstgenoemde geleerde reeds de medewerking der ademhaling tot de hierbedoelde geluidvoortbrengselen ken- nen, sedert hem is Landois eene schrede verder, ja, naar Spreker’s oordeel, veel te ver gegaan, door aan deze nage- noeg de geheele werking toe te kennen en schier alles terug te brengen tot eene hier eigenaardige stigma-werking.
LXXXII VERSLAG.
Spreker voert verschillende bewijzen aan, onder anderen ook aan Solier ontleend , waardoor hij het eene groote dwaling meent te mogen noemen van Landois, om ter wille van zijn « Schrill-stigma », de muzykale waarde van al de overige Réaumursche organen te ontkennen.
Zoodra nog enkele punten nader door hem zijn onder- zocht en hij den noodigen tijd mag vinden, hoopt de heer van Hasselt voor ons Tijdschrift eene meer uitvoerige be- werking van dit vraagstuk te ondernemen.
Dezelfde Spreker herinnert wijders, vóór eenige jaren eene voordragt te hebben gehouden, met aanwijzing van een paar daartoe behoorende voorwerpen, over de uit- wendige morphologische overeenkomst van sommige spin- soorten met andere insecten of Aptera. Hij kan daaraan nu, door de goedheid van ons medelid Mr. Piepers, onlangs uit Gelebes in het vaderland teruggekeerd, een derde spe- cimen toevoegen, betrekking hebbende op eene spinsoort met den Schorpioenen-vorm. Hij laat daartoe ter bezigti- ging rondgaan een hoogst zeldzaam exemplaar van Arach-
noura scorpionoides Vinson, 9, hem door den heer Piepers, uit Makassar, medegebragt.
De heer Maitland deelt eenige bijzonderheden mede omtrent de door hem beproefde opkweeking van rupsen van Saturnia Pernyi. Hij ontving in de maand Mei dezes jaars (1874), door tusschenkomst van Prof. J. J. Hoffmann te Leiden, van wege Dr. J. Pichler te Tartlau bij Kron- stadt (Siebenbürgen) 54 eijeren van de genoemde vlinder- soort.
Van 9 tot op 10 Junij hadden de 6 eerste zwarte rupsjes het ei verlaten; gedurende de vier volgende dagen waren 32 stuks geboren; van dezen stierven vöör de eerste vervel- ling 13 stuks, zoodat op 24 Junij 19 stuks hunne vervel- ling hadden volbragt, waarna zij allen groen gekleurd waren.
Den 3" Julij vervelden deze 19 rupsen voor de tweede maal; den 6° Julij stierf er één van dezen. De overgeble-
VERSLAG. LXXXIII
vene 18 stuks vervelden voor de derde maal, doch vier dagen later stierf er weêr één.
Eindelijk van 18 tot op 31 Julij vervelden de 17 overige rupsen voor de vierde maal; van deze stierven er 4 stuks aan diarrhoea en 2 stuks werden er vermist. Zij hadden thans eene lengte bereikt van 10 bij eene dikte 11 a 2 de- cimeter.
Van 10 tot op 12 Augustus hadden zich de overige 11 stuks ingesponnen en verpopt. Deze allen zijn, naar het schijnt, levend en gezond; eenigen worden door Spreker ter bezigtiging rondgegeven.
Opmerkelijk is het dat de rupsen van hetzelfde broedsel, welke onder hoede van den heer Hoffmann werden opge- kweekt, reeds in September de vlinders leverden en na gepaard te hebben eijeren legden, waaruit tusschen 28 en 30 September eene tweede generatie geboren werd. Na den tienden dag bevonden zich deze rupsen nog in hare eerste periode; op 15 October vertoonde de eerste zich in haar groen gewaad, hetgeen drie dagen later door een tiental anderen gevolgd werd.
De heer Hoffmann zond eene partij naar den Zoologischen tuin in den Haag, die echter allen zeer zwak bleken te zijn; ten gevolge der kouder wordende nachten werden zij in een des nachts eenigszins verwarmd lokaal overge- bragt, echter zonder gunstig gevolg, want 2 dagen later waren allen gestorven zonder verveld te zijn. De oorzaak van den dood werd door Spreker daaraan toegeschreven, dat de eikenbladen (namelijk van Quercus pedunculata, de- zelfde waarmede de vroegere rupsen gevoed waren) des- tijds zoo hard en droog waren, dat de jonge diertjes dezen niet nuttigen konden. Met eene andere partij van deze tweede generatie, aan de zorgen van den heer A. A. van Bemmelen, Directeur der Rotterdamsche Diergaarde toe- vertrouwd, was men niet gelukkiger; de rupsjes werden aldaar in een glazen kastje in eene der warme serres ge- plaatst, aanvankelijk met gunstig gevolg, doch spoedig
LXXXIV VERSLAG.
waren allen verdwenen en naar het later bleek, door kleine mieren die zich in aantal in die bloemenkas bevonden, vernield, zoodat deze tweede generatie geheel is te gronde gegaan.
Het blijkt dus dat Saturnia Pernyi somtijds als pop over- wintert, soms ook nog vóór den winter tot volkomen toe- stand geraakt en dan eene nieuwe najaars-generatie voort- brengt. Over dit verschil ten opzigte der ontwikkelings- perioden, schrijft Dr. Pichler in een brief van 25 September 1874 aan Prof. Hoffmann het volgende: In 1871 ontving hij (Dr. Pichler) van «der Seidenbau-Versuch-Station » in Görz de eerste eijeren van Saturnia Pernyi en wel als bivollini (die 2 generatiën in het jaar geven), hetgeen zij ook dat jaar bleken te zijn; in het daarop volgende jaar 1872 veranderden zij in unvoltini (annuali); in 1873 het- zelfde verschijnsel, terwijl zij dit jaar (1874) weder bivollini geworden zijn. Verschillende brieven, onlangs door Dr. Pichler uit Zwitserland, Wurtemberg en Oostenrijk ontvan- gen, spreken allen van eene teruggekeerde najaars-generatie; niettegenstaande eenige cocons, 10 dagen oud zijnde, in een’ ijskelder bewaard werden, ten einde het uitkomen van de vlinders te vertragen, verlieten deze toeh haar omhulsel.
De najaarsrupsen van Dr. Pichler begonnen reeds op 24 September zich in te spinnen, zoodat van deze nog eijeren te wachten zijn.
Spreker acht het wenschelijk dat van vele zijden proeven genomen worden, om Saturnia Pernyi hier te lande in te voeren '); de ondervinding toch heeft hem geleerd, dat de rupsen vrij wel tegen ons klimaat bestand zijn en weinig moeite of zorgen kosten om ze op te kweeken; alleen de
1) In eene briefkaart van 15 December 1874 biedt Dr. Pichler aan te leveren:
Eijeren van Antherea Yama-Maju de 1000 stuks tegen 6 francs. ” 2 Saturnia Per nyt ” ” 72 " 6 ” 1 lood eijeren van Yama-Maju of Pernyi 12»
100 stuks levende cocons van S. Pernyi = 9 à 10,000 eijeren 25 » De eijeren van Yama-Maju en de cocons van Pernyi kunnen onmiddellijk afgele- verd worden; de eijeren van Pernyi echter eerst in de eerstvolgende maand Mei.
VERSLAG. LXXXV
eerste dagen na de geboorte zijn zij geneigd even als die van Yama-maju van de bladen te vallen, doch na de eerste vervelling heeft zulks niet meer plaats.
De eijeren, die zoo lang mogelijk op eene koele plaats gedurende den winter bewaard worden, spoelt men tegen het begin der lente in niet al te koud water af; vervolgens worden zij uit elkaar gespreid op ongelijmd papier, waar- aan zij zich door eigen lijmstof vastkleven, waardoor bij het uitkomen de eihuid wordt vastgehouden en aan de rupsjes het verlaten van het ei gemakkelijk gemaakt wordt. Zoodra de jonge eikenbladen, voornamelijk die van Quercus pedunculata (de eik met langgesteelde eikels) die bij ons vrij gemeen is, zich vertoonen, worden de eijeren naar eene warmere plaats overgebragt; binnen 2 of 3 dagen ziet men de jonge rupsjes het ei verlaten; deze jonggeborenen worden met een zacht penseel opgenomen en op eikenbla- den overgelegd; de voeding geschiedt niet als bij de ge- wone zijderupsen (Bombyx Mori) met afgeplukte bladen, maar met eikentakjes van jonge bladen voorzien, die men in eene flesch of kruik met water gevuld plaatst, waardoor zij 3 tot 4 dagen frisch blijven. De flesch of kruik wordt bij voorkeur op gesatineerd of geglansd wit papier met opstaande randen geplaatst, ten einde de afgevallen jonge rupsjes het wegkruipen zoo veel mogelijk te beletten, en deze onmiddellijk te ontdekken en weder met het penseel of met eene ganzenveder op de bladen terug te brengen. Voor de eerste vervelling dient meermalen daags onder- zocht te worden of er ook rupsen van de bladen gevallen zijn; later is het voldoende dit twee of drie maal daags te doen. Sommigen geven er de voorkeur aan, de rupsjes niet met een penseel op te nemen, maar over de ontluikende eijeren of afgevallen rupsjes kleine eikentakjes te leggen en de daarop overgekropenen op de grootere takken in de flesschen over te brengen.
Daar met het verlaten van het ei door de rupsjes ge- middeld 5 of 6 dagen gemoeid zijn, is het wenschelijk de
LXXXVI VERSLAG,
rupsjes, die op denzelfden dag geboren worden, op dezelfde tak te plaatsen en van de anderen af te zonderen.
Na de tweede of derde vervelling kunnen de rupsen, indien daartoe geschikte gelegenheid bestaat, in de open lucht op eikenstruiken (akkermaalshout) worden overge- plant; doch in dat geval dient men zorg te dragen dat zij niet door insecten-etende vogels geroofd worden. De ondervinding moet ons nog leeren in hoe verre deze voor de Pernyi-rupsen schadelijk zijn, en of onze inlandsche Ichneumoniden en Tachininen ook hunne eijeren in de hun onbekende rups zullen leggen tot later voedsel hunner jongen. Waarschijnlijk echter zal hun boor-orgaan niet sterk genoeg zijn de vrij dikke huid der rupsen te doorboren.
Het vertrek, waarin de jonge rupsen gekweekt worden, moet ruim, frisch en zoo mogelijk op het oosten gelegen zijn. Tot op de eerste vervelling is eene temperatuur van 16° Réaumur wenschelijk, later kunnen zij aan den invloed der buitenlucht blootgesteld worden; men beschutte de jonge dieren en de afgesneden eikentakken voor sterk en voortdurend zonlicht. De eikentakken met het afge- sneden einde in met water gevulde flesschen of kruiken geplaatst, moeten aan de onderzijde met mos, watten of dergelijke stoffen omwoeld zijn, ten einde den hals van de flesch of kruik te stoppen en daardoor de rupsen, die gaarne de takken afdalen om zich aan het water te laven, voor verdrinken te behoeden. Het water waarin de takken geplaatst zijn, dient van tijd tot tijd ververscht te worden. Ook moeten de eikenbladen nu en dan met water bespren- keld worden, om de rupsen in deze druppels gelegenheid tot drinken te verschaffen. Zoodra het eikenloof begint droog te worden of te verwelken, plaatse men naast de oude eikentakken, verschen in flesschen geplaatst; de meeste rupsen loopen dan spoedig van de verwelkte op de verschen over; de enkele achterblijvers kunnen met het blad, waarop zij zitten en dat men afknipt, op de nieuwe tak worden overgebragt.
VERSLAG, LXXXVII
De rupsen vervellen vier malen in tusschenpoozen van 8 tot 10 dagen. Gedurende elke vervelling, die 2 of 3 dagen duurt, zitten de rupsen met opgeheven kop onbewegelijk aan een takje of een blad, zonder eenig voedsel tot zich te nemen; vooral gedurende dezen tijd van rust is het ongeraden de rupsen aan te raken of te verstoren.
Ongeveer 50 dagen na het verlaten van het ei beginnen de rupsen zich in te spinnen, na zich vooraf van eene bruine vloeibare stof ontlast te hebben; het inspinnen ge- schiedt tusschen de bladen der takken; tot dit doel worden gewoonlijk drie of vier bladen aan elkander gesponnen en binnen dezen mantel wordt de cocon verder afgewerkt en heeft de verpopping plaats. Na 10 of 12 dagen worden de spinsels, met de kleine takjes waaraan zij bevestigd zijn, afgeknipt en luchtig uitgespreid, niet op elkander gestapeld.
Ongeveer 40 dagen na het inspinnen, tenzij de pop ten gevolge van den vergevorderden nazomer in dezen toestand overwintert, verlaat de vlinder het poppenhulsel. Eenigen tijd voor zulks plaats heeft, worden de cocons 4 bij 4, twee mannelijke (de kleinsten) en twee vrouwelijke (de grooteren) namelijk, met bladbekleeding en al aan elkander verbonden en alzoo in de vliegkast overgebragt en daar aan dwarslatten of lijnen bevestigd; deze vliegkast is eene ‘met gaas bekleede ruimte, ten einde het ontsnappen der vlinders te voorkomen.
In den regel verlaten de vlinders tegen den avond de pop, en heeft de paring gedurende den nacht plaats.
De bevruchte eijeren worden door het moederdier tegen het gaas der wanden bevestigd; zij kunnen daar ongeveer 6 weken lang ongestoord blijven zitten, waarna men ze kan opgaren en in luchtige doozen in niet al te dikke lagen (hoogstens van 1 centimeter) bewaren.
Is het aantal cocons grooter dan tot het bekomen van eijeren noodig wordt geacht, dan kunnen de cocons tot het afspinnen der zijde aangewend worden; daartoe wor- den de aangehechte bladen en het eerste spinsel verwij-
LXXXVIII VERSLAG.
derd en de poppen in de cocons op eene of andere wijze, bij voorbeeld in een’ oven, gedood. Wijl de draad van Saturnia Pernyi zich niet zoo gemakkelijk laat afwinden als die van de gewone zijderups, Bombye Mori, is het noodig den cocon vooraf in eene oplossing van koolzure -potasch te dompelen, waardoor de lijmstof die aan den cocon eene zekere stevigheid geeft, wordt afgeweekt.
Professor P. J. Veth maakt opmerkzaam op onze onbe- kendheid met de soorten van Termieten die in den Indi- schen Archipel voorkomen, en met de eigenaardigheden waardoor zij zich onderscheiden. Niemand heeft ooit daar- omtrent een opzettelijk onderzoek ingesteld, en dit is te meer te verwonderen, daar zij onder de schadelijke insec- ten der Indische eilanden den eersten rang innemen, en ieder er steeds den mond vol heeft over de verwoestingen door de «witte mieren» aangerigt, zoo als de termieten er gewoonlijk genoemd worden. Junghuhn spreekt in zijn «Java» in het voorbijgaan over termieten-nesten, die hij in de bosschen van Java gevonden had en determineert de soort als Termes fatalis; doch gewoonlijk wordt deze naam toegekend aan de soort van Afrika’s Westkust, die daar suikerbroodvormige nesten ter hoogte van 12 voet opbouwt. De nesten der Javaansche termieten hebben, volgens de beschrijving van Junghuhn zelven, lang niet die grootte en eene andere gedaante. Ook blijkt uit eene mededeeling van Jagor, dat de termieten der Indische eilanden niet allen tot dezelfde soort behooren, daar deze reiziger op Singapore eene soort waarnam, door hem als Termes gilvus gedetermineerd, wier nesten geheel onder- aardsch zijn, zoodat er aan de oppervlakte van den bodem naauwelijks iets van zigtbaar is. Het blijkt derhalve dat hier eene belangrijke gaping in onze entomologische kennis van den Indischen Archipel bestaat.
Spreker meent dat deze leemte wel niet de eenige in hare soort zal wezen, en dat de verschillende beoefenaars
VERSLAG. LXXXIX
der entomologie, ieder voor zich vele vragen met betrek- king tot de insecten van den Indischen Archipel zullen te doen hebben, en daarom ongetwijfeld gretig zullen gebruik maken van de gelegenheid om een antwoord daarop te erlangen, die hun geboden zal worden door het voornemen van het Aardrijkskundig Genootschap, om eerlang eene expeditie te zenden naar het eiland Sumatra, belast met het onderzoek van het bovendeel der Djambi-rivier en van de vallei van Korintji. Dit gebied is nog schier geheel onbekend, zoowel wat zijne topographische gesteldheid, als wat zijne natuurlijke voortbrengselen betreft. Het Aard- rijkskundig Genootschap wenscht de expeditie zoodanig te organiseren, dat zooveel mogelijk de verschillende weten- schappelijke belangen daaraan verbonden zijn, en daardoor meer algemeene belangstelling voor zijne onderneming ge- wekt wordt. De zaak is nog in den staat van voorberei- ding, maar de vooruitzigten zijn gunstig. Daar vermoe- delijk ook een zooloog aan de onderneming zal verbonden worden, vraagt Spreker, die zelf Voorzitter van het Aard- rijkskundig Genootschap is, van de leden dezer Vereeni- ging de opgave van vraagstukken, die vermoedelijk door een zoodanig persoon eene schrede nader bij hunne oplossing zouden kunnen gebragt worden. Hij meent reeds nu de aandacht hierop te moeten vestigen, opdat ieder der leden den tijd zou hebben om over de te stellen vragen na te denken, die als de expeditie vertrekken zal, aan de aan- dacht harer leden bij hunne instructie kunnen worden aanbevolen.
Eindelijk meent Spreker dat het uit dit oogpunt wen- schelijk zou kunnen zijn, dat de Entomologische Vereeni- ging en het Aardrijkskundig Genootschap tot elkander in nadere betrekking kwamen, en hij veroorlooft zich, als eene eerste schrede daartoe, het voorstel te doen tot eene ruiling van geschriften.
Dit voorstel wordt bij acclamatie aangenomen.
XC VERSLAG.
De heer Ritsema vindt in het door den heer Snellen van Vollenhoven gesprokene omtrent het gevaar van over- brenging met schepen van den Colorado-kever, aanleiding om te vermelden dat door den heer Bottemanne, eersten stuurman aan boord van het stoomschip «P. Caland», varende tusschen Rotterdam en New-York, terwijl dit schip te Fijenoord bij Rotterdam lag, gevangen is een exemplaar van de in Noord-Amerika te huis behoorende Hypena scabra F. (scabralis Guen.) ') Behalve genoemden vlinder trof de heer Bottemanne aan boord van hetzelfde stoomschip nog aan : twee vrouwelijke voorwerpen van Zeuzera Aesculi L., het eene den 11% Julij op de hoogte van den Hoek van Hol- land, het andere den 413°" Julij op de hoogte van Plymouth, terwijl hij den 5°" October op 41° 30° N. Br. en 65° W.L. een mannelijk exemplaar ving van Hybernia defoliaria L., dat aan boord kwam vliegen.
In de tweede plaats deelt de heer Ritsema mede, dat in den nazomer van dit jaar door een’ leerling van de Am- sterdamsche Burgerschool, te Rozendaal bij Arnhem op een eik de galnoten gevonden zijn van eene voor onze Fauna nieuwe galwespsoort, en wel die van Cynips Calicis Burgsdorff. Door tusschenkomst van zijn’ vriend Dr. Hugo de Vries, leeraar in de Natuurhistorische wetenschappen aan genoemde inrigting, ziet Spreker zich in staat gesteld deze galnoot aan de aanwezige leden te vertoonen. Zij is in 1783 door von Burgsdorff (Schrift. Berlin. Gesellsch. naturf. Freunde. Bd. IV. S. 4. Tab. I, II) voor het eerst en in 1871 ook door Dr. G. L. Mayr in zijne « Mitteleuropàischen Eichengallen in Wort und Bild» (2te Halfte, S. 64 Tab. VII. fig. 90) beschreven en afgebeeld. De soortnaam is ontleend aan de eigenschap dat de onregelmatig stervor- mige, houtige galnoot ontspringt uit den bodem van het
1) Tevens werd in herinnering gebragt dat in het vorige jaar door den heer Fransen aan het Kralingsche veer bij Rotterdam op eene bloem van Heracleum sphondyleum een exemplaar van een’ Zuid-Amerikaanschen schildpadkever (Poecilaspis angulata Germ.) was aangetroffen (zie Tijdschr. v. Ent. deel 17, blz LXvuI).
VERSLAG. XCI
napje des eikels. Men treft deze galnoot aan op Quercus pedunculata en volgens von Schlechtendal ook op Quercus sessiliflora (zie Mayr I. c.).
Ten derde vermeldt dezelfde Spreker, dat Cassida equestris F. gedurende eenige jaren te Nieuwland (een dorp in de na- bijheid van Sneek) in grooten getale levende op Monarda didyma L. (purpurea Lamk.), eene uit Noord-Amerika inge- voerde sierplant van de familie der Labiatae, wordt aan- getroffen. De larven, sedert door hem tot imagines opge- kweekt, waren hem met de plant waarop zij leefden door zijn’ vriend Dr. F. A. Jentink ter hand gesteld.
Op zijne vraag of een der aanwezige leden ook de in- heemsche voedingsplant van C. equestris kon noemen, werd door den heer Snellen van Vollenhoven medegedeeld, dat deze soort eenmaal door hem op eene soort van het ge- slacht Linaria, tot de familie der Scrophulariae behoorende, werd waargenomen *).
Vermelding verdient nog, dat bij de meeste der door Spreker gekweekte exemplaren de voorrand van het borst- stuk op het midden meer of minder diep is ingesneden.
Ten vierde geeft de heer Ritsema de beschrijving van een nieuw geslacht en van eene nieuwe soort uit de familie der Carabicidae.
In de vorige maand ontving ’s Rijks Museum van Dr. C. de Gavere te Batavia twee reageer-buisjes met insecten (voorn. Coleoptera) op spiritus ten geschenke. Onder de kevers bevond zich, behalve eene waarschijnlijk nieuwe soort van het geslacht Trochoideus Westw., een ander tor- retje, dat Spreker, niettegenstaande het de regterachter- poot geheel en van de linker de tars mist, zonder aarzelen tot de afwijkende groep der Pseudomorphiden in de familie der Carabicidae brengt. Het is echter niet mogelijk het bij een der vijf geslachten van genoemde groep in te lijven.
1) Goedaert en Blankaart geven als voedingsplant distels op, Kaltenbach boven- dien verschillende Labiaten.
VII
XCII VERSLAG.
Horn (Trans. Amer. Entom. Soc. vol. I (1867) p. 153) splitst de groep der Pseudomorphidae in twee afdeelingen, waarvan de eerste die geslachten omvat, waarbij de kop horizontaal gedragen wordt, de mond vöör aan den kop geplaatst is en de sprieten draadvormig zijn; het zijn de de geslachten Pseudomorpha, Hydroporomorpha, Sphallomorpha en Silphomorpha. De tweede afdeeling omvat die geslachten waarbij de kop neérgebogen, het voorhoofd zeer bol en de mond aan de onderzijde van den kop geplaatst is, terwijl de sprieten knodsvormig zijn; dit is bij het vijfde geslacht (Adelotopus) het geval.
Tot deze laatste afdeeling nu behoort het bedoelde insect. Het is jammer dat daarvan slechts een enkel voorwerp aanwezig is, hetgeen natuurlijk niet mag worden opge- offerd aan een onderzoek der organen afzonderlijk, ’t geen voor eene juiste bepaling der geslachtskenmerken zeer wenschelijk zou zijn.
In hoofdzaak heeft het nieuwe geslacht, waarvoor Spreker wegens de gelijkenis met het geslacht Cryptocephalus den naam Cryplocephalomorpha voorstelt, den vorm van Adelotopus; de zijranden van den thorax en van de dekschilden zijn echter niet breed maar uiterst fijn, naauwelijks merkbaar naar buiten omgebogen, terwijl ook de dekschilden aan den achterrand niet regt afgesneden, maar afgerond zijn. Een in het oog loopend verschil tusschen beide geslachten bestaat in de plaatsing der bovenlip en bovenkaken; bij het geslacht Adelotopus hangen deze deelen als het ware aan den voorrand van den kop naar beneden, zoodat men ze, den kop en face ziende, duidelijk waarneemt, terwijl zij bij het nieuwe geslacht geheel onder den kop verbor- gen blijven.
Van de maxillaar-palpen is het laatste lid min of meer kegelvormig, aan het eind bijna onmerkbaar afgeknot; van de labiaal-palpen is het laatste lid verlengd bijlvormig.
De sprieten zijn even als die van Adelotopus van ter zijde platgedrukt; de eerste geleding is dik, de tweede dunner
VERSLAG. XCII
en korter en min of meer ovaal, de derde zoo lang als de vierde, de vijfde tot tiende onderling gelijk, de elfde of laatste eivormig; de derde geleding is de dunste, de vierde en volgende geledingen onderling van gelijke breedte. Eene groef ter opname van den grond der sprieten is aanwezig, van het scutellum echter geen spoor te ontdekken.
De scheenen der voorpooten zijn aan de binnenzijde tusschen het midden en het eind uitgesneden, en aan het begin dezer uitsnijding van een’ regten en van een’ slang- vormig gebogen doorn of spoor voorzien. De dijen zijn aan de onderzijde diep uitgehold, zoodat de scheen daarin ge- borgen kan worden als het lemmet van een scheermes in bef-hefk
Van het achterlijf schijnen de drie eerste segmenten met elkander vergroeid te zijn, ten minste er is slechts zeer flaauw eene segmenteering zigtbaar. Het vierde segment is iets langer dan de helft van het vijfde, het zesde langer dan de beide voorgaanden te zamen.
Tot herkenning der soort, die ik ter eere van den ge- lukkigen ontdekker Cryptocephalomorpha Gaverei noem , moge de volgende beschrijving dienen:
Lengte 4,5, breedte 2,25 millim. Uiterst glanzend; de bovenzijde zonder het geringste spoor van bestippeling ; de buikzijde van het achterlijf, met uitzondering van het laatste segment, met enkele fijne stipjes bedekt. De kop is zwart met roodbruinen voorrand, welke kleur onmerk- baar met het zwart zamenvloeit; de sprieten en palpen zijn bruinachtig geel. De thorax is zwart met roodbruinen zoom, die aan den voorrand het smalst, aan de zijranden het breedst is; ook hier vloeit het bruin onmerkbaar met het zwart zamen. De pooten hebben dezelfde bruinachtig gele kleur der sprieten en palpen. De dekschilden zijn zwart, smal met roodbruin omzoomd, en elk van eene bruinroode vlek voorzien die achter het midden aan de sutuur en op het midden aan den buitenrand stoot; in het midden is deze vlek of band het breedst, daar zij hier
XCIV VERSLAG.
aan de voorzijde hoekig vooruitspringt. De buikzijde van den kever is lichtbruin van kleur.
Dit insect, dat in de nabijheid van Batavia (eiland Java) gevonden is, is de eerstbekende vertegenwoordiger van de groep der Pseudomorphidae in den Oost-Indischen Archipel, en dus ook als zoodanig belangrijk.
Wat de geographische verspreiding van de geslachten dezer groep betreft, van het geslacht Pseudomorpha kent men soorten zoowel uit Noord- en Zuid-Amerika als uit Australié, van het geslacht Hydroporomorpha eene enkele soort uit Abyssinié, en van de geslachten Sphallomorpha , Silphomorpha en Adelotopus slechts soorten uit Australié.
De heer Heylaerts doet de volgende mededeelingen:
4°. Geeft hij eene lijst van Coleoptera, nieuw voor onze Fauna, door hem te Breda en omstreken gevangen, en bijna uitsluitend de familiën der Carabicinen en Staphyli- niden betreffende, van welke de eersten door den heer Putzeys te Brussel, de laatsten door den heer Fauvel te Caen zijn gedetermineerd. De Faunae novae species der overige familiën hoopt hij later op te geven, nadat zij door ons medelid Dr. Everts nader zullen zijn onderzocht. De lijst bevat de volgende soorten:
CARABICI. Dyschirius intermedius Putz. Amara infima Dfts. Acupalpus exiguus De). var. luridus De]. Chlaenius nigricornis F. var. melanocornis De]. Anisodactylus pseudo-aeneus De]. Bembidium obliquum Strm. (de beide laatste soorten bij Bergen-op-Zoom gevangen).
STAPHYLINIDAE.
Aleochara brevipennis Grav. » bipunctata Grav.
VERSLAG. XCV
Tachyusa scitula Er.
» coarctata Er. Oxypoda cuniculina Er. Homalota gregaria Er.
» volans Scriba.
» nigella Er.
» nigricornis Thoms. » debilis Er.
» testudinea Er.
Schistoglossa viduata Er. Myllaena forticornis Kr. Hypocyptus longicornis Payk. Philonthus cinerascens Grav. Xantholinus multipunctatus Thoms. » longiventris Heer (elongatus Heer). Leptacinus Formicetorum Maerk. Lathrobium geminum Kr. (boreale Redt.) » fovulum Steph. Evaesthetus ruficapillis Lac. Stenus intricatus Er. » pallipes Grav. » opticus Grav. » _ canaliculatus Gyll. » pusillus Steph. » Argus Grav. et var. » _ fuscipes Grav. » aterrimus Er. Bledius spectabilis Kr. Troglophlaeus despectus Baud. » Erichsonis Sharp. Lathrimaeum luteum Er. Omalium florale Er. (rufipes Fourer.) » striatum Grav. Proteinus brevicollis Er. » macropterus Gyll.
PSELAPHIDAE. Bryaxis Lefebvrii Aubé.
SCYDMAENIDES.
Scydmaenus scutellaris Müll.
XGVI VERSLAG.
2°. Bespreekt de heer Heylaerts den zak van Psyche villosella Ochs. en laat een geheel anders gebouwden zak van die soort zien, welke door hem bij Breda gevonden is. Laatstgenoemde vorm is reeds besproken in Bruand’s Monographie des Psychides (zie Liste supplémentaire des Macrolépidoptères de Bréda etc.).
3°. Spreekt hij over de gedaantewisseling van Epi- chnopteryx Tarnierella Brd., beschrijft de tot dusver on- bekende rups met haren zak en deelt mede, dat spoedig eene volledige beschrijving van een en ander in de Stettiner Entomologische Zeitung zal gedrukt worden.
4°. Vestigt hij de aandacht op eene groote dwaling in het overigens zoo practisch en juist geschreven werk van von Heinemann «Die Schmetterlinge Deutschlands und der Schweiz». Deze zegt nl. bij de algemeene beschrijving van het genus Epichnopterye Hbn.: «Die männliche Puppe tritt beim Ausschlüpfen des Falters nicht aus dem Sacke hervor». Dit is in geenen deele zoo: de pop komt even als bij alle Psychiden ter halver lengte uit den zak, alvorens de vlinder uitkomt. Als bewijs voert Spreker aan, dat zulks bij alle mannelijke zakken van £. pula Esp., die hij dit jaar verzamelde, het geval was, zoowel als bij die van E. Tarnierella Brd. Hij laat een’ zak van eerstgemelde soort met uithangende pop zien.
5°. Laat dezelfde Spreker de zakken zien van twee voor de Fauna nieuwe Coleophoren, beiden door hem in het Mast- bosch bij Breda op Berk gevonden. Vermoedelijk zijn het, naar den zak te oordeelen, C. fuscocuprella H.S. en cornuta Stt. Van beiden bezit hij eenige rupsen, die zich ter overwintering hebben vastgesponnen.
6°. Wordt door hem gewezen op het verschil der zak- ken van Coleophora badiipennella Dup., limosipennella Dup. en milvipennis Zell.
7°. Leest hij eene copie voor, door hem van Professor Zeller ontvangen, uit Brahm’s Insektenkalender, anno 1791, waaruit duidelijk blijkt, dat Cochylis zephyrana Tr. volgens
VERSLAG. XCVII
regt van prioriteit C. Williana Brahm zou moeten heeten. 8°. Eindelijk haalt hij uit Dr. M. Treub’s driemaande- lijksch « Botanisch Literatur-Uebersicht» aan, dat J. Duval Louve in het «Bulletin de la Société botanique de France» voor 1874 verschillende mergsoorten opgeeft als geschikt om bij microtomie te gebruiken. Spreker meent dat zulks ook voor Microlepidopterologen van groot nut kan zijn. Het merg van jonge looten van Ailanthus glandulosa, het hardere van Verbascum thapsus en het nog hardere van Silubum Marianum worden aangeraden; terwijl de late herfst wordt aangegeven als de beste tijd om deze mergsoorten te verzamelen, en wat de twee laatsten betreft, het merg van op stam afgestorven planten de voorkeur verdient.
De heer Snellen deelt mede, dat in 1874 drie nieuwe Macrolopidoptera voor onze Fauna zijn ontdekt, en wel:
Lycaena Coridon Poda. — Limburg, Maastricht 6 Augustus twee mannetjes op een klein weiland (A. H. Maurissen). Reeds vroeger was een exemplaar van deze soort bij Nijkerk door den heer van Medenbach de Rooy ge- vonden (zie Vlinders van Nederland, blz. 56, noot), doch wegens het geïsoleerd aantreffen van een enkel exemplaar dezer op kalkhoudende gronden voorkomende soort, op een voor haar vreemd terrein, maakte Spreker bezwaar haar onder de in Nederland voorkomende soorten op te nemen.
Xanthia ocellaris Borkh. — Limburg, Venlo. Twee man- netjes door den heer van den Brandt gevangen.
Catephia alchymista W. V. — Gelderland, Huissen. Een exemplaar door den heer V. M. Aghina.
Bovendien zijn sedert zijne laatste mededeeling van nieuwe Nederlandsche Macrolepidoptera (zie Verslag der Winter- vergadering van 1872) nog ontdekt:
Limacodes Asella W. V. Nola strigula W. V.
XCVIII VERSLAG.
Aleucis pictaria Curt. en
Chimatobia boreata Hbn. wier voorkomen ten deele reeds door de ontdekkers is op- gegeven. De beide laatstgenoemde soorten zijn tot dusver alleen bij Arnhem door ons medelid A. B. van Medenbach de Rooy gevonden.
Verder liet Spreker rondgaan gekleurde exemplaren der platen, bij zijn stuk over de Zuid-Amerikaansche Geometrina in den vorigen jaargang van het Tijdschrift (dl. XVII) be- hoorende, waarvan voor belangstellenden nog eenige exem- plaren, tegen f 2.50 voor de 7 gekleurde platen, te beko- men zijn.
Niemand der aanwezigen meer het woord verlangende, sluit de Voorzitter, onder dankbetuiging aan de verschil- lende Sprekers voor hunne mededeelingen, deze vergadering.
DIE SRI PUT'E O NS
DE PLUSIEURS
VEVROPTERES-PLANIPENVES et TRICHOPTÈRES NOUVEAUX
de Vile de Célébes
ET DE QUELQUES ESPÈCES NOUVELLES DE
DES EN DNONP SUIS
avec considérations sur ce genre,
PAR
M. R. MAC-LACHLAN.
Nôtre honoré collègue M. H. Albarda de Leeuwarden, qui étudie avec tant de zèle les Névroptères indigènes, me fit parvenir une très-petite, mais très-intéressante collection de Vile de Célébes, envoyée par M. Piepers, qui réside à Macassar et qui avait exprimé le désir que ceux d’entre ces insectes qui sont nouveaux pour la science, seraient décrits et figurés dans ce recueil et que les types seraient déposés au Muséum de Leide.
L'examen de ces insectes m’a prouvé qu’ils appartiennent tous à des espèces nouvelles ou non decrites.
J'en donne ici les descriptions et comme mes investiga- tions concernant une espèce de Dipseudopsis qui en fait partie, m'ont fait découvrir chez ce genre une structure assez extraordinaire, qui facilite de beaucoup la distinction
1
2 DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NÉVROPTÈRES-
des espèces, j'ajoute les descriptions de quelques autres espèces de ce genre, qui se trouvent dans ma collection.
PLANIPENNES. Fam. CHRYSOPIDAE.
Chrysopa ruficeps, sp. nov.
Caput rufo-aurantiacum, antennae alis paullo longiores, fu- scescentes, basin versus nigrae, temuter pallido-cinctae , exceptis articulis duobus basalibus aurantiacis ; palpi flaves- centes. Pronotum elongatum , antice angustatum , viride, villa longitudinali media flava. Mesonotum et metanotum pallide rufo-aurantiaca, in medio flava. Pedes flavidi, tarsis in apice fuscescentibus, unguiculis valde curvatis, basi dilatatis, testaceis. Alae elongatae, acutae, hyalinae, iridicolores, venis venulisque viridescentibus, seriebus gra- datis nigricantibus, pterostigmate elongato, olivaceo, cellula cubitali tertia anticarum uli in CG. SEPTEMPUNCTATA Wesm. Abdomen flavo-olivaceum villa media longitudinali flava. Long. corp. 13 mm.; Exp. al. 37 mm.
Habitat in insula Celebes.
Téte ayant le front et le vertex d’un orangé vif sans points noirs. Antennes assez robustes, plus longues que les ailes, d'un brunâtre obscur, avec leur partie basale noire, finement annelée, à l’exception des deux premiers articles qui sont de la couleur du vertex. Lèvre supérieure coupée en ligne droite. Palpes jaunâtres. Veux grands, pour- prés (dans l’insecte mort). Pronotum allongé, trés-retréci en avant, ayant deux sillons transverses qui séparent deux parties renflées, vert avec une bande médiane longi- tudinale d’un jaune pâle et les angles antérieurs étroitement bordés de noir. Mésonotum et métanotum d’un rouge orangé pale, laissant une bande jaune au milieu. Thorax entier en dessous d'un jaune pâle. Pieds jaunätres avec l'extrémité
PLANIPENNES ET TRICHOPTÈRES NOUVEAUX ETC. 3
des tarses brune. Onglets fortement dilatés à leur base, trés-recourbés vers l'extrémité, testacés.
Ailes antérieures un peu aiguës à leur extrémité et plus de deux fois aussi longues que larges, (les inférieures plus étroites et plus aiguës). Elles sont hyalines, très-luisantes, avec des reflets verdàtres, rougeätres et bleuätres tres-jolis. Réticulation formant un réseau peu serré. Nervures et ner- vules verdätres, à l'exception des deux séries de nervules en échelons qui sont noiratres. Gils courts et päles. Ptérostigma allongé, d’un brun olivâtre. Troisième cellule cubitale des antérieures ayant la forme de celle de la C. septempunctata Wesm. Les antérieures ont 22 à 93 nervules costales entre la base et le ptérostigma, 15 nervules entre le radius et son secteur, 17 entre celui-ci et le premier cubitus et 8 cellules entre les deux cubiti. La série en échelons interne se compose de 7 nervules, l’externe de 13. Les ailes postérieures n’ont que 5 nervules dans la série interne et 9 dans l’externe. L’abdomen est verdàtre, plus pàle en dessous, avec une bande dorsale longitudinale d’un jaune pâle.
Quoique cette espèce ait tout à fait la forme ordinaire, je la crois différente de toutes les espèces décrites. Elle est bien voisine de la C. remota Walk., mais celle-ci n’a aucune trace de rouge ou d’orangé roussätre sur la tête.
Apochrysa Albardae, sp. nov. Caput supra miniatum. Antennae alis longiores, ochraceae, apicem versus gradatim pallidiores, articulo basali rufo- ochraceo. Thorax rufo-ochraceus, mesonoto et metanoto in medio nigro-notatis. Pedes dilute testacei. Abdomen ochra- ceum. Totum corpus subtus pallide-testaceum. Alae anti- cae latae, apice rotundatae, hyalinae, aureo-micantes , macula parva, elliptica, paullo elevata, nigra in disco (interdum secunda minori apicem versus); venis venulisque pallide-testaceis (vix virescentibus), exceplis venulis gradatis prioris seriei infra maculam disci nonnullisque in medio
4 ' DESCRIPTIONS DE PLUSIEURS NEVROPTERES-
seriei secundae, apicibus cubitorum et duabus venis postco- stalibus basalibus, nigris; venulis marginis apicalis et in- ternae usque ad alae medium fuscatis, caeteris simplicibus; serie unica venularum inter sectorem radi et cubitum an- ticum. Alae posticae fere dimidio angustiores , apicibus cubitorum nigris. Long. corp. 20 mm.; Exp. al. 60 mm.; Lat. al. antic. 15 mm.
Habitat in insula Celebes (Macassar).
Tête en dessus d’un vermillon foncé; front rougeatre ; clypeus, lèvre supérieure et palpes d’un testacé pâle. An- tennes plus longues que les ailes, grêles, d’un jaune d’ocre pàle, plus foncé vers la base, leur premier article en dessus d’un ochracé rougeätre. Yeux grands, polis, olivätres ou un peu livides. Pronotum allongé, rétréci en avant, à angles trés-obliques, dun ochracé un peu roussätre avec une bande médiane longitudinale plus pâle, qui se prolonge sur le devant du mesonotum. Celui-ci et le metanotum, ainsi que les attaches des ailes, ochracés, avec les lobes d’un noir intense. Pieds d’un testacé pâle, les tarses plus foncés, onglets un peu brunis. Abdomen ochracé, plus obscur vers le bout. Le corps entier en dessous d’un testacé pâle.
Ailes antérieures très-larges, arrondies à Vextrémité, où elles sont pourtant un peu anguleuses, hyalines avec des reflets dorés.